Posts tonen met het label gedrag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gedrag. Alle posts tonen

woensdag 5 juni 2013

Een Neurologische én Psychologische Eureka


“Bewustwording is de sleutel van alle deuren.”
                                                                        - Sam Rain
Een interessant onderzoek uit de neurologie bevestigt wat ik al dacht over de menselijke geest: het bestaan van ‘modi’ – een onderscheid tussen gemoedstoestanden. Het ‘apparaat’ waarmee we ons bestaan mee besturen heeft veel weg van een super geavanceerd computersysteem!
We hebben een primair en secundair karakter – ieder mens is voorzien van een oerinstinct; gedrag dat verantwoordelijk is om te kunnen overleven. Secundair is ons hogere bewustzijn, waardoor we rationeel kunnen denken. Ergens willen de meeste mensen geloven dat we het primaire overstegen zijn, maar dat lijkt een fabeltje te worden: het één is een fundament voor het andere.
Dagelijks verwerken onze hersenen een grote hoeveelheid signalen; onze zintuigen zijn als het ware invoerapparaten die gekoppeld zijn aan het centrale zenuwstelsel. Deze prikkels worden omgezet naar compacte informatieblokken indien ze nuttig zijn om te herinneren, verworpen indien ze dat niet zijn en in sommige gevallen vereisen ze onmiddellijke ‘verwerking’. In het laatste geval worden deze signalen (zowél in de psychologie als de automatisering) ook ‘triggers’ genoemd.
Bij gevaar bijvoorbeeld, maar ook andere ‘driften’ (Freud) zijn de prikkels gekoppeld aan ons oerinstinct. Feitelijk veranderd de activiteit en de hersenen van plaats – we denken niet meer, maar we reageren uit reflex. Ook andere fysiologische eigenschappen veranderen: hartslagtoename, transpiratie, pupilverwijding zijn enkele zichtbare veranderingen te danken aan adrenaline. Maar interessanter zijn de geestelijke eigenschappen: de ‘focus’ vernauwt zich (projectie), het vecht-vlucht-shock gedrag, de ongecontroleerde gedachtegang waardoor rationaliteit niet meer een voor de handliggende eigenschap is. Gevolgen: agressie, compulsief gedrag, impulsiviteit en hypergevoeligheid.
Door het wetenschappelijk bewijs kan men stellen dat in ieder mens deze oermodus schuilt en dat ‘driften’ de ketens ervan besturen. Ook kan er empirisch gesteld worden dat de overschakeling sterk afhankelijk is van signalen; de omgeving van de mens bepaalt in normale omstandigheden (dat wil zeggen zonder klinische afwijkingen) het gedrag van mensen door de informatie die deze daaraan onttrekt.
De ‘Eureka!’ in dit verhaal is dat dergelijke driften vaak centraal liggen in maatschappelijke conflicten en vraagstukken: waarom kunnen op het oog rustige mensen omslaan, waarom maken mensen onverklaarbare keuzes, waarom kan een groep hooligans een stad verbouwen?
Maar het prachtige komt nog; omdat het fysiologisch is én onze geest werkt als een apparaat kun je een overschakeling reguleren. Door je hartslag en ademhaling te beheersen, is het mogelijk om de adrenaline toevoer te doseren. Feitelijk zou je het zelfs neurologisch kunnen programmeren dat je door middel van een ‘vast’ patroon uit deze toestand ‘ontwaakt’ of zelfs kunt bewaken. Dat wil zeggen dat zaken als verslaving, agressie, angst, fobieën cognitief kunt aanpakken!
Het klinkt misschien Utopiaans – maar ik ben overtuigd dat het werkt. Immers worden dergelijke technieken al toegepast, alleen misten ze altijd een feitelijke onderbouwing!
©SamRain
Eureka!

zondag 26 mei 2013

Psychologie: Schema's en hun werking


“Denkpatronen zijn kleine programma’s.”
                                                            - Sam Rain
Een schema, de benaming van een denkpatroon, is een keten van ‘biologische’ activiteiten die je in een diagram kunt weergeven. Een ‘trigger’ – of gewoonweg een gebeurtenis – doet een schema activeren met een bepaald gedrag als resultaat. Een schema komt op het volgende neer:

Hoewel men gedachten en gevoelens als abstracte zaken beschouwt; zijn ze prima te vormen tot meetbare ‘units’. Een gedachte is namelijk een associatie met andere informatie en gevoel, die ontstaat naar aanleiding van herkenning. Samen met het gevoel ‘evalueert’ het brein de meest ‘logische’ beslissing waardoor er gedrag tot stand komt.
Onze hersenen zijn, met onze ruggengraat, een centrale verwerking van informatie afkomstig van binnen en buiten het lichaam; hormonen en neurotransmitters reguleren het interne gedrag, terwijl de zintuigen hun dienst doen om informatie uit de wereld om ons heen op te vangen. Onze zenuwen zijn de infrastructuur waardoor we alle externe informatie ‘digitaal’ kunnen ontvangen.
De pracht van onze hersenen is dat de neurologische verbindingen polymorfisch zijn; er worden miljoenen verbindingen gemaakt en verbroken – veel feitelijke kennis over de werking van de hersenen en met name hoe ze groeit is relatief jong. De complexiteit van deze neurologische verbinding stelt de hersenen in staat om veel informatie om te zetten naar, wat ik noem, neurologische ‘bestanden’ – de organische manifestatie van schema’s.
Er zijn primaire schema’s – voorgeprogrammeerde denkpatronen – waar we zonder niet kunnen functioneren: ademhalen, verteren of waarnemen. Hoe complexer een organisme is, zal evenredig het aantal primaire schema’s bepalen. Of dit het werk zou zijn van een superevolutie proces of God is giswerk.
Wat geen giswerk is, is dat de hersenen patroongevoelig zijn; daarom ontwikkelen we gewoonten en ervaren we stress als we tegenstrijdige informatie moeten verwerken of er nieuwe situaties ontstaan waardoor we niet weten wat we kunnen verwachten. Het patroon, welke herkent wordt in de informatie, roept een schema tot leven die de hersenen de meest logische keuze achten. Afhankelijk tot welk deelgebied van het denken het schema behoort, volgt het gedrag van de mens vrijwel onmiddellijk.
Het belang voor zichzelf behartigen is de vuistregel van de geest; behoeftes volgen en pijn vermijden. Het grootste deel van de schema’s zijn echter aangeleerd bij de moderne mens. Angst, godsdienst, status, ambitie, verslaving, fobieën hebben een relatie met schema’s. Zo zal iemand die insecten ziet als ‘ongedierte’ deze associëren met ‘vies’, ‘ziekte’ en ‘gevaar’ en kan een fobie ontwikkelen, terwijl een ander in een niet-stedelijke cultuur de diertjes ziet als specerijen voor het avondeten. Of je nu walgt, lacht of bedenkelijk kijkt bij dit voorbeeld komt dankzij een aangeleerd schema!
Schema’s kunnen supercomplex zijn; ook zijn ze niet op zichzelf staand wat betreft de psyche van de mens. Wel zijn schema’s een duidelijke, abstracte weergave van het menselijk doen en laten – en essentieel in het begrijpen van de geest.
©SamRain
Denkschema's

zaterdag 25 mei 2013

Psychologie: Deelgebieden van de geest


“Achter elke keuze zit een eigen belang.”
                                                            - Sam Rain
In de psychologie wordt het – eindelijk – een serieuze factor: de impact van de omgeving. Onze natuur is grotendeels bepaald door het habitat waarin we verblijven; de geest past zich aan om ons tolerant te maken tegen factoren en ontwikkeld soms zelfs competitieve vaardigheden. Al ons gedrag komt echter voor uit abstracte ‘bouwstenen’: denkpatronen.
De ontwikkeling van onze geest heeft veel weg van een besturingssysteem – al klinkt dat voor veel mensen eng. Als ik de geest zou classificeren in ‘deelgebieden’, zou ik zeggen dat er 4 van deze ‘fasen’ zijn. Hoewel ik niet 100% achter de definitie ‘fase’ sta, heb ik toch voor de term gekozen; taxonomie is immers een mensending en niet die van de natuur. Ieder deelgebied omvat, naar mijn beleving, eigen denkpatronen – schema’s – en zou in iedere geest gemeten kunnen worden in stadia van ontwikkeling.

Het instinctief denken is aangeboren – genetisch voorgeprogrammeerd in onze soort. Maar het is niet iets ‘statisch’ – het instinctief denken kan degelijk aangevuld worden met aangeleerd gedrag. Wat denken ‘instinctief’ maakt is de impuls en het reflexgedrag: het knipperen en tranen van de ogen bij een vuiltje of het willen vluchten (of vechten!) bij gevaar. Schema’s binnen het instinctief denken zijn door hun reactionele aard vaak ‘onbewust’, maar daardoor niet onbereikbaar!
Ieder ontwikkeld wezen heeft behoeftes en zal ‘pijn’ willen vermijden. Het ‘gevoel’, veroorzaakt door neurotransmitters, is een persoonlijke assistent voor de geest waardoor we schema’s ‘kiezen’ waar we gelukkig van worden. Emotioneel denken stelt ons in staat om te verlangen (of te walgen) naar iets door middel van deze signalen. Emoties en empathie behoren naar mijn taxonomisch inzicht niet tot dit deelgebied, omdat zij behoren tot expressie en sociale interactie. Wel zijn ze dicht met elkaar verbonden.
Het rationeel denken bestaat uit ons analytisch vermogen om problemen op te lossen – we berekenen de succeskans wanneer we een ‘recept’ volgen op basis van verwachtingen. Het rationeel denkvermogen is afhankelijk van onze ontwikkeling uit ervaringen; trial by error, dito na-apen of onderwijs. Zo handelen wij naar wat voor onszelf ‘logisch’ lijkt: de rekensom ‘klopt’.
Het sociaal denken is hoe wij ons gedragen in een groep; het bepaald hoe wij relaties aangaan met mensen en objecten in de wereld. Zonder het sociaal denken zouden we nooit functionele maatschappijen kunnen vormen; de ontwikkeling die we als soort zelfstandig nooit zouden kunnen maken, danken we aan schema’s waardoor we in groepsbelang kunnen denken.
Naarmate we groeien, ontwikkelen we onze geest. De schema’s die we gedurende ons leven maken, zijn de basis van ons hele denken. Ik zou pleiten voor een catalogi van denkpatronen; het ontwerp van ons gedrag is naar mijn mening net zo belangrijk als neurologisch onderzoek – en zou zeker bijdragen aan de psychologie, al dan niet de psychiatrie.
©SamRain
Deelgebieden

dinsdag 11 september 2012

Krijg er maar een woord tussen


“Spreken is zilver, slap gelul maakt echter geen goud.”
                                                                        - Sam Rain
Asperger heeft een ‘nare’ eigenschap – er is een moment in een gesprek, waar het bij mij kan veranderen in een monoloog. “Een waterval van woorden”, noemde de lagere school juffrouw dat specifiek. Naarmate ik meer bewust werd van mijn autistische trekken, hoe meer ik het zag als een eigenschap. Ik legde het er maar bij neer. Het is nu eenmaal wie ik ben.
Tot aan vandaag. “Waarom doe je dat”, vroeg Daniel aan me. Het ging over Zen boeddhisme en de waterval begon een Tsunami van argumenten te worden. En plots ging het (zoveelste) lichtje aan. Ik begreep, na vele jaren, ineens waar de ‘trigger’ lag. Dat ik het deed, was allang bekend. Waarom ik het doe, daar had ik nog nooit eerder over nagedacht.
In een gesprek op ‘niveau’ heb ik een vrij individuele mening; mijn levenservaring zou mijn ‘echte’ leeftijd op 90 zetten en mijn filosofie over het leven is niet bepaald de maatschappelijke norm. Daarnaast is mijn kennis in ‘interesse’ gebieden imponerend – tevens vaak de ‘reden’ waarom mensen mij slim achten. Deze eigenschappen maken dat mensen interesse hebben wat ik te zeggen heb – totdat ze overweldigd worden door de Tsunami. Zinvol, maar irritant dus.
Wanneer ik een andere mening heb over een onderwerp of mij ‘specifiek’/letterlijk gevraagd wordt wat ik van een situatie vindt – dan breken de dijken. De database in mijn hersenpan begint onmiddellijk alle (en dan ook alle) relevante informatie af te schieten naar de vraagsteller; de vraag wordt in 1000 variaties beantwoord. Een dubbel cd met dezelfde nummers van Jody Bernal maar in meerdere talen, zeg maar.
Natuurlijk biedt de psychologie geen enkel handvat om pragmatisch dit euvel te verhelpen – diagnoses genoeg, oorzaken genoeg, testjes vast, maar pragmatische hulp – nein, no, njet, nada. Gelukkig heeft God mij (naast autisme) uitgerust met een sterk analytisch vermogen om dit op te lossen. Dus fellow-autisten, partners van ons buitenaardsen, Aspergers en Snijbonen, je present la solution de problem:
1.     Op de vraag waar je ‘iets’ van vindt heb je de volgende antwoorden (of variaties ervan):
mee eens, mee oneens, geen idee (vraagstukken)
leuk, mwah, getsie (mening)
goed, voldoende, slecht (resultaten)
goed, redelijk, bl
èh (gevoel)
2.     Wanneer je gevraagd wordt om het toe te lichten, mag je maar één argument geven.
Waarom het werkt (voor autisten):
1) elk gedrag is aan te leren, en kost ongeveer een paar maanden om ‘eigen’ te maken.
2) je doet niks anders, alleen begrensd minder.
Motiveer je ‘significant others’ om je te helpen, geef ze een signaalwoord/zin (zoals ‘mapje dicht’) en train jezelf naar Olympisch goud!
©SamRain
Woorden

donderdag 16 augustus 2012

Het belang van ons sociaal netwerk


“We ontlenen onze identiteit aan de mensen om ons heen.”
                                                                                    - Sam Rain
Iedereen heeft mensen om zich heen nodig. Het sociaal netwerk is iets essentieels. Onze ouders, broers en zussen, vrienden en collega’s zijn zonder dat we er vaak bewust van zijn onze vaste steunpilaren voor onze ontwikkeling. We nemen onbewust trekjes van onze relaties over; in onze hersenen doen ‘spiegelneuronen’ het werk van ‘na-apen’. Onze rolmodellen en vleugelrelaties zijn grotendeels verantwoordelijk voor ons moreel kompas en onze normen en waarden.
Grotendeels zeg ik, want gedrag is zowel een gevolg van onze fysieke natuur. Missende of een overmaat van stofjes in de bovenkamer, ontwikkeling van onze frontale kwabben of handicaps zorgen vaak voor onaangename ‘diversiteit’. Wie in een gevestigde orde van normen en waarden moet bewegen met een fysiek verschil, zal zich hoogstwaarschijnlijk anders gaan gedragen.
Gedrag heeft altijd een oorzaak; al is het uit het opzicht dat mensen zich als de ‘apex roofdier’ waant. Mannen die zich ‘macho’ gedragen doen dit om een ‘alpha’ status uit te stralen en toenemend testosteron bij vrouwen zorgt voor de nodige ‘mannelijke’ trekken. Gedrag wordt echter pas ‘storend’ wanneer deze niet conform is aan de ‘ecologie’ en het sociale netwerk er omheen. Het is zelfs zo te zeggen dat de gemeenschap om een persoon heen het gedrag in stand houdt. Een punker valt pas op bij een bezoekje aan de Efteling, maar verdwijnt in de menigte bij een punkfestival.
Soms heeft de gemeenschap om een persoon geen enkele invloed; wanneer de natuur een geintje flikt, is het bijna onmogelijk zonder medische ingrepen een bepaald gedrag te veranderen of mist er de ‘drive’ om de persoon te stimuleren. Deze manier van ‘negeren en de andere kant opkijken’ is, ondanks de passiviteit de grootste boosdoener. Natuurlijk moet er ook geen karaktermoord gepleegd worden op een individu, maar een gezond sociaal netwerk zou de signalen niet alleen moeten opmerken, maar ook actie ondernemen.
Onze stedelijke ervaringen hebben van ons individuele separatisten gemaakt. De nodige ‘clan’ mentaliteit kent weinig waarde meer en het zal aan onze kont roesten hoe met onze buren gaat. Tenzij het moord, brand, verkrachting is – maar dan bemoeien we ons liever niet met de ‘situatie’. In plaats daarvan gaat de zwarte piet zonder blozen naar media, schoolvrienden en die ene ‘artiest’. Of we verstikken mensen van iedere gedachte en het vrije denken, totdat de wolf wel uit de bezwete schapenkleding moet komen – en we zijn dan in ‘shock’ hoe dit allemaal had kunnen gebeuren.
Ja, ik heb het over gekwelde geesten – mensen die op andere mensen schieten, zonder geldige reden (is er eigenlijk wel één?). Een explosie van pijn – en niemand die het weet over het waarom ervan. De enige bron die hier wat zinnigs op te zeggen heeft komt uit een opmerkelijke hoek. Tijdens een interview word aan Marilyn Manson (Shock artiest) gevraagd wat hij zou zeggen tegen de schutters van Columbine, waarop hij antwoordde:
“Ik zou niets zeggen. Ik zou naar ze gaan luisteren, datgene wat waarschijnlijk niemand deed.”
Onze relaties, of het ontbreken ervan, bepalen wie we zijn en wat we doen. Er ging namelijk al lange tijd iets mis voordat Batman in première ging. En datgene zagen de mensen erom heen – en deden niets.
©SamRain
Sociaal netwerk

woensdag 20 juni 2012

Overleven tussen gewelddadige mannen


“Overleven doe je soms op instinct, maar vaak niet.”
                                                                                    - Sam Rain
Wanneer we denken aan sterk, dan denken we aan opgepompte spieren en een plafond lengte. Tuurlijk zijn gespierde mensen in staat om gewichten te tillen, maar aan ‘sterk’ zul je moeten relativeren: sterk is meer dan een bovengemiddelde norm, het is iedereen die ‘sterker’ is dan jou.
Mannen met agressieproblemen zijn ‘chimpansees’ qua gedrag; veel bombarie totdat het escaleert – waarna het niet te stoppen is zonder geweld terug te gebruiken. In een escalatie bevinden ze zich in een psychotische staat – meestal beschreven als een ‘waas’ voor de ogen.
Lichaamstaal verraad alles, met name angst. Angst is een emotie die ontstaat uit het ontdekken van een potentieel gevaar; de eerste stap naar agressie ligt op een geestelijke niveau. Gewelddadige mannen zullen zelden het gevecht aangaan met een ‘sterkere’ tegenstander – de kans van succes ligt hoger als de opponent berekenbaar is. Vooral als er geen groter doel ligt achter een gevecht, waardoor iemand zijn angst moet overwinnen, is afstand al voldoende. Vechten is meer dan winnen – het is tevens het potentieel toelaten van schade aan het eigen lichaam.
De normale reactie is schrikken in het geval van een confrontatie; een potentiële tegenstander wint al als deze de reactie ‘test’ – sta je paraat om je te ‘verdedigen’ op het minst geringste, dan faal je. Je schat de opponent immers ‘sterker’ in. Schrikken is ongecontroleerd jezelf beschermen. Juist in de vechtsport leert men, door ‘sparren’, de schrikreactie om te zetten naar een reflex. Een reflex levert niet de lichaamstaal die voorkomt bij een schrikreactie. Wie niet beschikt over incasseringsvermogen, verduurt een groter psychologisch trauma tijdens een klap.
De stem is ook bepalend; tonatie en accentueren bepaalt ook een krachtmate. Hoewel vaak vrouwen van mening zijn dat ze hier onder in doen, valt het in de praktijk mee. ‘Blaffen’ is monoloog, luid en duidelijk. Met de stem kan men uitdagen of waarschuwen. Tot rust brengen helpt zelden met de stem, tenzij je deels inwilligt – waarbij je de ‘strijd’ verloren hebt. Zwijgen is het accepteren van de waarschuwing – en de laatste is altijd prominent aanwezig. Negeren daarentegen is het verwerpen van een waarschuwing – overigens een reden waarom kinderen vaak jaren lang gepest worden: men is óf dominant of ondergeschikt (hoe graag psychologen ook anders willen geloven).
De eerste indruk is een blijvende. Denk eens terug aan de ‘vervanger’ van de leraar. Geen orde is chaos in de klas. Zodra er dus confrontatie komt, is de beste strategie de dominante positie innemen. Dit hoeft niet met veel ‘show’ en vuurwerk.
Stappenplan
1.     Wees niet bang: wordt zekerder over je fysieke kunnen
2.     Maak het initieel contact, kort en bondig: maar maak er geen kameraadschap van
3.     Defuseer confrontaties zoals waarschuwingen met zwijgen: blijf kalm, maar ontwijk niet / geef geen verdere aanleiding
4.     Maak gebruik van gezichtsmimiek: fronzen, kaakspieren spannen (maar niet wijzen)
5.     Verlaag je niet tot hetzelfde niveau: wees intellectueel superieur aan een opponent.

donderdag 17 mei 2012

Zijn we aangeboren psychopaten of gewoon verhoogd beinvloedbaar?


“Elke generatie heeft een nieuwe kijk op dingen, die vaak gedurfder en origineler is.”
                                                                                                            - Kris Verburgh
Wetenschappers op leeftijd hebben interessante proeven opgezet; een aantal om een verschrikkelijke hypothese te testen – namelijk het ‘beestelijke’ gedrag van mensen. Algemeen bekend is de proef waarbij testpersoon A ‘elektrische’ schokken toebrengt aan testpersoon B in een andere ruimte – die helemaal geen schokken ontvangt. De uitslagen zijn, volgens ‘de wetenschap’ onomstotelijk: mensen zijn boosaardige wezens.
Iedereen is wel gefascineerd geraakt door menselijk wangedrag; de toedracht dat leidde naar een militaire basis waar de krijgsgevangen werden gemarteld en gedenigreerd, tot de aanloop van een bekende wereldoorlog – ze schetsen het beeld van, naar wat ik noem, de ‘homo diabolicus’. Ambitieuze genetici verwijten het gedrag aan een paar proteïnes en eiwitverbindingen, terwijl fundamentalisten kiezen voor de lotsbestemming. Ik het ben er niet mee eens; ik zal psychopathologie nimmer erkennen als valsheid, maar de mens als boosaardig roofdier in zijn algemeenheid wegzetten, dat mag van mij naar het rijk der fabelen verbannen worden.
Hoewel ik grote twijfels heb over de evolutietheorie waar de mens afstamt van apen, ben ik het wel eens met primatologen die het gedrag van mensapen prediken als gelijkwaardig. Als mens hebben we ons dusdanig opgehemeld tot de kroon der schepping, dat we moeite hebben om de waarheid over onszelf aan te horen – ons gedrag vergelijken met die van apen vinden de meesten simpelweg denigrerend (terwijl ze zo intelligent zijn!).
Karakteristiek voor mensapen (en een hoop andere organismen) is de rolverdeling in de maatschappelijke structuur. De ‘alfa’ (dat meestal een mannetje suggereert) is het dominante aapje; andere apen worden ondergeschikt aan deze, totdat een andere ‘alfa’ de leider van zijn troon stoot. Deze hiërarchie is een succesformule voor samenwerking in grote groepen; een autoriteit beheerd de belangen en richting van een groep.
Om zulke sociale mechanismes mogelijk te maken, moeten groepsdieren relaties aangaan met elkaar én een functionele keuze maken in de rol die zij spelen in deze relatie. Iemand zal de ‘alfa’ rol toegeschreven krijgen (óf opeisen!) aan de hand van omstandigheden of persoonlijke eigenschappen. In het geval van veiligheid is de ‘alfa’ de fysiek sterkste; in het geval van organisatie wordt de beste arbiter naar ‘alfa’ verheven. Het groepsbelang, waar een groep bestaat uit minimaal 2 wezens, staat centraal voor de selectie van de ‘alfa’. Ongeacht de vorm (democratie, communisme, dictatuur), blijft deze rolverdeling bestaan.
Mensen evalueren informatie om keuzes te maken. De basis van de evaluatie ligt in onze identiteit; onze normen en waarden, ons sociaal netwerk en de netto impact op onszelf uit de consequenties van de beschikbare opties. Deze drie factoren spelen ook een cruciale rol in de mate hoe ver wij beïnvloedbaar zijn. De normen die we hanteren zijn, samen met onze waarden, het ‘morele anker’: zonder normen wordt een maatschappij chaos en zonder waarden kunnen we praktische zaken niet afwegen. Het sociaal netwerk om ons heen bepaald onze ‘rol’; maatschappelijk vervullen we een functie in het belang van anderen. Hoe minder ‘belangrijk’ onze maatschappelijke functie, hoe ondergeschikter we worden (niet verwarren met status!) – dit is de pijnlijke wekelijkheid van de maatschappelijke ladder: je bent niet de enige die aan het klimmen is.
Consequenties evalueren mensen zoals ieder denkend wezen dat doet; de mate van ‘beloning’ of leed berekenen mensen in een flits. Hoe confronterender en detailrijker de informatie, hoe meer overwogen de keuze van mensen wordt. Hoe minder de informatie aan ‘kwaliteit’ bevat, hoe impulsiever deze keuze wordt; dat men de impact van een verkeerde keus te laat pas beseft is vaak de sombere werkelijkheid, in plaats van aangeboren psychopathische kenmerken.
Hoe ‘sterker’ onze identiteit, hoe meer ‘alfa’-waarde we toezeggen aan onszelf; onze ‘eigen’ autoriteit wordt door onszelf in het geval van een relatie opnieuw geëvalueerd. Wanneer in een onderlinge relatie er sprake is van een mens met hogere ‘autoriteit’ (dus hogere ‘alfa’ waarde), zal de ‘ondergeschikte’ mens de instructies accepteren, zolang er geen sprake is van directe consequenties die het eigenbelang schaden. Zodoende kan een autoriteit de normen oprekken in een gewenste richting, zolang dit maar gradiaal gebeurd.
Dit mechanisme stelt onze beïnvloedbaarheid bloot; we zijn op dit gebied relatief zwak – onze ‘groep’ bestaat uit miljarden andere mensen met vele subhiërarchieën. Ook wisselen we gedurende de dag vaak van groep, zodat we invloeden accepteren buiten ons ‘van huis uit meegekregen identiteit’. Thuis heersen de relaties tussen broers of zussen, de oudste en de jongste, ouder-kind of grootouders en andere ‘familieleden’. Op school zijn er de relaties tussen klasgenoten en vrienden, leraar-leerling en ‘het beleid’ van de school. Werk is weer een andere groep – collega’s, klanten en de baas en ook de geloofsovertuiging neemt een andere groep met zich mee. Mensen passen zich automatisch aan, tenzij zijn of haar competenties niet in de groep ‘passen’. Dit laatste is belangrijk; mensen willen van nature nuttig gevonden worden, omdat de groep bepaald welke ‘positie’ de mens in kwestie mag en kan betreden.
Informatie uitwisselen gebeurd bij mensen met lichaamstaal en de spreekkunst; hoewel 90% van onze communicatie vaak wordt weggecijferd door een waterval van woorden, kunnen we snel ‘gevaar’ beoordelen met een enkele blik. Ook tonatie van de stem beïnvloed ons; we raken van slag bij plotseling schreeuwen en worden gerustgesteld bij een warme klankkleur. Wij communiceren om elkaar te instrueren; we verwachten dat men handelt (even de onzinnigheid van het soort handelen buiten beschouwing gelaten) naar aanleiding van de informatie die wij onderling verstrekken. Ons gesprek bestaat dus uit instructies en informatie die door de ontvanger geëvalueerd worden en een resultaat teweegbrengt.
Het gewicht van de instructie wordt bepaald door de autoriteit; dezelfde instructie verschilt van gewicht door de relatie die de ontvanger heeft met de zender. Deze relatie hoeft niet diepgaand te zijn – iedere ‘verbinding’ die wij maken als bewuste wezens met andere wezens zijn relaties die we gebruiken tijdens de evaluatie van informatie. Hoe ‘sterker’ de relatie, hoe meer gewicht de instructie zal hebben. Een zeer sterke relatie is er één waar er sprake is van een autoriteit door een bestaande autoriteit; daarom vertrouwen we artsen en politieagenten bij voorbaat – zonder de personen zelf te kennen. Het overdragen van macht bepaald een significante rol in beïnvloeding – culturele sektes ontlenen niet voor niets de ‘autoriteit’ van bestaande overtuigingen.
Terug naar de schokproef: deze test ‘werkt’ door de mediator – de ‘dokter’, ‘wetenschapper’, ‘de presentator’, of zelfs de ‘geldschieter’ die de ‘beloning’ van het gedrag voorlegt. Zonder een overheersende autoriteit of een beschadigde identiteit (een psychopaat bijvoorbeeld) bewijst de test de hulpvaardigheid van de mens. Observeer zelf en oordeel met deze informatie in het achterhoofd!
©SamRain
Psychopaten?

dinsdag 27 maart 2012

Het monstertje in mijn oor


“Liegen is een handeling om te voorkomen dat je op je gedrag aangesproken kan worden.”
                                                                                                            - Sam Rain
In mijn oor woont een monstertje. Het is niet zomaar een monster, met van die enge tanden of een venijnige blik. Dit monstertje is als een kleine kameleon; één die zich kan camoufleren en daardoor bijna onzichtbaar is. Duiveltje heet hij; vaak verstopt hij zich, maar soms komt hij naar buiten en dan fluistert hij allemaal leugentjes – grote, maar vooral veel kleine.
Soms helpt dat wattenstaafje wel; Duiveltje leeft nu eenmaal graag in vieze oren. Van oorsmeer maakt hij verse leugentjes, soms bewaart hij er een paar voor later. Maar het is niet zo dat hij alleen leugentjes kan vertellen met oorsmeer – oh nee. Duiveltje wordt nooit ouder en ieder leugentje die hij gemaakt heeft, heeft hij opgeschreven en verstopt het in mijn neus. Als hij geen oorsmeer kan vinden, laat hij mijn neus kriebelen en door het peuteren komt er dan een oud leugentje vrij!
Duiveltje vindt liegen leuk; elke keer dat er gejokt wordt, ga ik dan zweten. Normaal zweet is bij het rennen, maar sportzweet is niet hetzelfde als jokzweet. Jokzweet vindt Duiveltje heel lekker ruiken; voor hem is jokzweet net als een beker limonade. Omdat Duiveltje geen mama of papa heeft, vertelt niemand hem dat te veel zoetigheid ongezond is! Daarom is Duiveltje ook heel verdrietig; omdat niemand hem troost en zegt “och, arm Duiveltje, wat is het toch sneu voor jou en zo eenzaam” maakt dat Duiveltje zo’n pestkop is geworden.
Als ik dan moet opletten, dan kietelt Duiveltje in mijn oor en zegt “Oh, oh, oh, wat is dit saai zeg” – en dat de hele tijd! Als ik moet gaan slapen, gaat Duiveltje grapjes maken en liegt dat slapen ook zo saai is. En als ik dan betrapt wordt op iets wat niet mag – dan verteld Duiveltje anders wel wat ik moet doen!
De grote broer van Duiveltje woont in de oren van grote mensen. Zijn naam is Jokkebrok. Jokkebrok is niet onzichtbaar, maar kan zich heel goed verstoppen. Omdat Jokkebrok heel goed kan liegen, speelt hij altijd een spelletje met de grote mensen; ze denken dan dat ze de leugentjes zelf bedenken, maar het is dan gewoon Jokkebrok! Grote mensen zijn dan ook niet zo slim, omdat ze altijd later gaan slapen en niet op tijd hun fruit eten. Daarom zij ze ook zo snel moe!
Maar net als alle monsters, kunnen Duiveltje en Jokkebrok bang gemaakt worden met een toverspreuk; simsalabim en abracadabra laten dingen verschijnen en verdwijnen, maar bij monsters moet het wel ietje anders. ‘Wegwezen Duiveltje’, roep je dan of ‘Ik heb je door, Jokkebrok!’ Dan schrikken ze zich een hoedje en voelen ze zich betrapt – en verstoppen ze zich snel in de billen!
Monsters houden ook niet van groente; hoe meer groente, hoe minder monsters! Want in alle groene groente zit een magisch toverpoeder waardoor alle monsters gaan niezen, en in de rode waarmee monsters bang worden van liedjes. Ja, echt waar! Monsters zijn heel bang en vooral in het donker. Duiveltje liegt dan in je oor dat je bang moet zijn, maar eigenlijk is hij dan heel bang. Want in het donker als je slapen gaat, dan komen de droomfeeën en als ze Duiveltje dan betrappen, dan is het goed mis! Droomfeeën kun je alleen zien met je ogen dicht, maar monsters verstoppen zich altijd.
Er woont een monstertje in mijn oor; hij heet Duiveltje. En elke keer dat hij een leugentje verteld, dan roep ik ‘Wegwezen, Duiveltje!’ en na drie keer is hij, poeff!, weer weg. Daarom was ik mijn oren goed, eet ik groene en rode groente en ga ik op tijd naar bed. Want zo kan dit bange monstertje niet snel terugkomen en gaat hij vast in een ander oortje wonen.

zaterdag 3 maart 2012

Dieper in cultuur: De invloed op ons gedrag


“Ons sociaal netwerk bepaalt ons gedrag.”
                                                            - Sam Rain
Verkeerde ‘vrienden’ is de grootste factor voor delinquent gedrag. Hoewel het Westerse denken een zonnestelsel presenteert om het individu, is de sociale kring om ieder mens de grootste invloed op de opvattingen die men heeft – met hier en daar een uitzondering.
Cultuur is een gekleurd én verkleurd begrip; vanuit een toeristisch oogpunt zijn het typische gebruiken en tradities en gekeken vanuit een politiek standpunt ‘achterlijk’ in vergelijking. Hoewel cultuur zeker bepaalde klederdracht en ‘aparte’ opvattingen bevat, missen we vaak de cultuur zoals ze is; als sociale wezens omvat cultuur de ongeschreven regels van onze omgang met anderen in onze groep.
Social media bevestigd dat de meeste mensen een groep van ongeveer 80 tot 100 hanteren als hun persoonlijke kring. Hoewel deze kring weer verdeeld is tot boezemvrienden, bloedverwanten en collega’s, kan men verwachten dat deze groep soortgelijke opvattingen deelt. Niet voor niets komen veel criminelen uit een crimineel milieu en komen ‘nieuwe’ Christenen uit een christelijke gemeenschap. De mensen uit ons netwerk zetten de norm voor acceptabel gedrag en de sancties; zo zullen de ‘afvalligen’ verbannen worden door de groep (of zelfs vervolgd).
Religie is een soort ‘instituut’ voor cultuur; de hoofdopvatting én algemene verdeler bepaald aan de hand van een wereldbeeld wie tot de cultuur behoord (en wie niet). Tradities en gebruiken zijn vastgelegd als receptuur, zoals beloning- en strafmaatregelen, omgangsvormen en uitoefening van leiderschap. Wie afstand doet van de cultuur in een dergelijke groep mag rekenen op afschuw door de anderen in de cultuur; homoseksualiteit in monotheïstische wereldgodsdiensten, maar ook rassenmenging in fascistische sekten zijn typische ‘dealbreakers’.
Maar cultuur zijn ook vrienden en familie; dat vader niet gestoord mag worden tijdens de UEFA of dat moeder het kerstontbijt organiseert. De opvatting over politiek, justitie en werkgevers worden vooral door vrienden bepaald; gelijkgestemden versterken de mening van een individu en vooral wanneer deze geen natuurlijke leider is. Vrienden kies je immers bewust; de raad van een goede vriend weegt vaker hoger dan die van je bloedverwanten – ongeacht de kwaliteit van het advies.
Onze persoonlijke cultuur bepaalt ons gedrag. Positieve invloeden maken ons socialer, terwijl negatieve invloeden ons egoïstischer laat denken. Neurologisch zijn mensen, sterker dan andere organismen, in staat tot ‘na-apen’, dankzij de ontwikkelde spiegelneuronen. Onbewust nemen we ‘trekjes’ over, van kretologie tot grafologie. Toch zijn we allen wel in staat om zelf te bepalen wat we dan ondernemen en sommigen zijn de ‘trendsetters’.
Op de middelbare school was de grote pauze ideaal voor het ‘grote’ rondje; onttrekken van toezicht manifesteert dan altijd de ‘leider’ van een groep. De ‘eigen’ regels maken begint dan met ‘rebellie’ – het ontkrachten van de eerdere autoriteit – door kattenkwaad uit te halen. Het begint met ‘belletje-trekken’ door de ‘groep’, geïnitieerd door de leider, waarna competitiedrang wordt gevoed. Wie niet ‘meedoet’ vervalt naar een lagere status (bangerik / mietje), wat langere termijn consequenties meedraagt in het sociale vlak. Omdat het gedrag ‘vervalt’ bij de aanwezigheid van een nieuwe leider (de school of de ouders), kunnen we concluderen dat de meeste mensen zich altijd gedragen aan de hand van de groep waar ze op dat moment in bevinden.
Willen we mensen veranderen, dan moet je de leiders veranderen of vervangen; dit geldt voor basisscholen, gevangenissen en zelfs naties.

maandag 6 februari 2012

De misdadiger ontrafeld: De bepalende factoren van een misdadiger


“Ieder mens ontwikkeld zich; en misdadigers zijn geen uitzondering.”
                                                                                                            - Sam Rain
Door schade en schande wordt men wijs. Jong geleerd, oud gedaan. Het zijn zegswijzen die toepasselijk zijn voor ieder mens; inclusief de misdadiger. Nu we weten waarom een mens misdaden begaat, is het een vraagstuk hoe men voor zo’n keuze komt te staan en/of kiest om het gedrag te herhalen. Wederom een aanvulling op de theorie van het vorige artikel over het fenomeen misdadiger.
Er zijn 4 redenen hoe een misdadiger tot stand komt:
-       een aangeboren afwijking (neurologisch)
-       een afwijkende, aangeleerde opvatting (cultuur)
-       een positieve ervaring van een incidentele misdaad (ervaring)
-       een ontwikkelde scheefgroei in de persoonlijkheid (psychisch).
Men vind het omstreden, ‘natural born killers’ zouden genetisch aanleg hebben voor gewelddadigheid. Neurologisch is het te staven; al ruime tijd weten we dat hormonen en hersensignatuur de beleving van een mens bepaalt en mede zijn of haar gedrag. Seksuele afwijkingen zijn ook neurologisch; een pedofiel ‘kiest’ er niet voor om pedosexueel te zijn, omdat het maatschappelijk grote consequenties oplevert. Nu staat een neurologische afwijking nooit garant voor een uiteindelijke misdadiger, maar bevorderd wel de mogelijkheid als er sprake is van een disfunctioneel aantal ‘remmingen’.
Als men zich bevindt in een sociale omgeving waarbij men ‘leert’ dat misdaden begaan lonend werkt, is het een cultureel probleem. Dit is niet exclusief binnen de opvoeding; pubers en adolescenten zijn vatbaarder voor rebellerend gedrag, maar ook volwassen en succesvolle mensen kunnen criminaliteit verheerlijken in een bepaalde groepsdynamiek of door een hooggeachte autoriteit. Waar je mee omgaat, wordt je mee besmet; dit geldt zowel voor positieve als negatieve invloeden.
Net zoals andere organisme met een ontwikkelingspotentie, leren mensen door ervaring. Wanneer men, incidenteel, ontdekt dat het afschrikbeleid in de realiteit minder angstaanjagend is, dan verliest het ook de remming; de geestelijke barrière is doorbroken. Vooral bij een ‘gelukstreffer’ voelt de misdaad belonend in omgekeerde vorm; de consequentie is ontlopen. Dit gedrag is natuurlijk voor intelligente organismen; van een snoep stelende peuter tot een agressieve waakhond.
Naast aangeboren afwijkingen kan een mens ook zich tot een afwijking ontwikkelen; echter hoeft dit niet altijd neurologisch te zijn voor alle gevallen. Verslaving op langere termijn verandert de persoonlijkheid (en bij zwaar verdovende middelen zijn er fysiologische en neurologische veranderingen mogelijk), maar ook bij een hersenletsel of zelfs trauma’s. Niet alle ‘stoornissen’ zijn gevaarlijk voor de maatschappij in de vorm van misdaad, maar omdat een stoornis de geestelijke toestand in wurggreep houdt, is een potentiële misdadiger in verhoogde mate aanwezig.
Er zijn dus 4 factoren die bepalend zijn wanneer een mens een misdaad zal begaan:
-       geestelijke toestand (persoonlijkheid, wereld- en zelfbeeld)
-       neurologische staat (biologische afwijkingen)
-       sociale omgeving (groepsdynamiek, autoriteit en verwachtingen)
-       persoonlijke ervaring (kennis, ratio beloning versus consequentie)
Uiteindelijk is misdaad een gedrag; gedrag is het resultaat van een soep inclusief de ingrediënten van eerder genoemde factoren. Wanneer er een specifieke situatie voordoet waarbij de mogelijkheid en de middelen beschikbaar zijn om een misdaad te begaan, bepalen deze factoren de keuze om tot handelen over te gaan. Een vergroot risico staat nooit garant voor een misdaad, tevens als een matig risico garant staat voor het niet begaan van een misdaad.
©SamRain
Misdaad