zondag 29 april 2012

Management als ambacht: Kandidaten selecteren op kwaliteit - Deel 2


“Selecteren doe je aan de hand van criteria.”
                                                            - Sam Rain
Mensen hebben, algemeen gezien, 9 eigenschappen die belangrijk zijn op de werkvloer – ongeacht de functie die ze moeten uitvoeren. Hoe beter een competentie is ontwikkeld, hoe zingevender de functie wordt; de natuurlijke habitat haalt het beste uit de mens.
1.     Sociale omgang: mensen die sociaal zijn, werken graag met andere mensen en hechten waarde aan omgangsnormen. Hoe socialer de mens, des te beter werkt deze in persoonlijke teams en kan opereren in “frontend” functies. Mensen kunnen óók antisociaal zijn; dit zijn individuen die sterk behoefte hebben aan een eigen werkplek en structuur zonder al te veel interacties. Sociaal kan iedereen worden, alleen iemand selecteren voor een rol waar er direct contact is met klanten, kies je geen antisociaal persoon zonder ontwikkeltraject. Daarin tegen zal een antisociaal weinig behoefte hebben aan een raam.
2.     Analytisch vermogen: er zijn mensen die in detail kunnen denken en makkelijk rekenen; lijstjes maken, taakgericht werken en zo snel mogelijk orde scheppen in chaos. Sommige mensen zijn liever van de algemene kennis of nemen aan wat er staat. Hoe sterker het analytisch vermogen hoe meer structuur ze nodig hebben, want ze zullen bij het ontbreken ervan graag de “puzzel” oplossen. Mis je structuur? Deze mensen doen het met liefde.
3.     Communicatief: veel praten is niet hetzelfde; zegt een persoon wat hij of zij wilt zeggen? Kan deze persoon duidelijk vertellen wat er gaande is? Maar kan er ook feedback gegeven worden? Communicatieve mensen zijn ideale knooppunten en zijn erg gewild in een “senior” positie. Zoek je een verbindingslijn met andere mensen, dan is deze eigenschap belangrijk om sterk ontwikkeld te zijn. Een werkvloerclown maakt de boel levendig, maar hoeft niet een sterk ontwikkelde communicatieve eigenschap te bezitten.
4.     Leiderschap: durft iemand op eigen initiatief het roer te besturen? Leiderschap betekent meer dan baasje spelen; een leider dirigeert andere mensen om het beste resultaat te bereiken. Een sterk team heeft altijd één of meer mensen met deze competentie.
5.     Objectiviteit: een rechtvaardige, objectieve werknemer kan zaken in context plaatsen. Verder kijken dan de eigen belangen resulteert in goede bemiddeling en bedrijfsethiek. Commissieleden zijn mensen met deze eigenschap; politici denken in eigen belang. In functies waar integriteit belangrijk is, is dit dé eigenschap die van groot belang is.
6.     Dienstbaarheid: hulpvaardige mensen maken anderen wegwijs en nemen makkelijker taken over in het geval van ziekte of plotselinge uitstroom. Ook zijn hulpvaardige mensen binnen de onderneming handig in ‘zwevende’ teams.
7.     Discipline: deze eigenschap staat niet voor de handen uit de mouwen steken of appelleren met de pink op de naad; doen wat er gedaan moet worden, hoe bureaucratisch dan ook. Grote ondernemingen hebben vaste procedures; wanneer deze niet gevolgd worden, betekent het wanorde. Rotwerk, rotklusjes of rotmensen – een mens zonder discipline houdt het simpelweg niet vol. Overigens liegen managers zich vaak zelf voor dat er géén rotwerk, rotklusjes of rot mensen bestaan...
8.     Betrokkenheid: vaak gezien door Amerikaanse managers als de beïnvloedbaarheid tot overwerken of mailtjes lezen in de nacht. Deze eigenschap is het inzicht hebben van de verantwoordelijkheid in de functie; dat de receptioniste begrijpt dat iedere beller een potentiële klant is of de schilder die netjes werkt omdat het goed is voor de bedrijfsreputatie.
9.     Zelfkennis: last, but not least! Iemand die weet wat hij of zij wél kan en niet kan, betekent dat die openstaat voor een ontwikkeling op de langere termijn. Niet voor niets zeggen de sollicitatie-guru’s om te vragen naar sterktes en zwakheden!
Meer lezen over het onderwerp Management? Klik hier voor een inhoudsopgave naar alle artikelen!

zaterdag 28 april 2012

Management als ambacht: Kandidaten selecteren op kwaliteit - Deel I


“Competenties kun je ontwikkelen, vaardigheden kun je leren.”
                                                                                    - Sam Rain
Mensen voeren taken uit; de kwaliteit ervan is altijd afhankelijk van hun eigenschappen en vaardigheden. Eigenschappen zijn competenties: ze zijn de sterke punten van een mens. Vaardigheden zijn de methoden die mensen beheersen om taken uit te voeren. Samen bepalen ze de “match” tussen taak en mens.
Managen is het beheren en dirigeren van middelen. Mensen op de arbeidsmarkt zijn kandidaten die inspanning kunnen omzetten naar resultaat. Het is bijna een natuurkundig proces: hoe efficiënter de inspanning, hoe hoger het rendement. Hoewel het curriculum Vitae als afkorting CV gebruikt, ben ik van mening dat deze beter kan staan voor Competenties en Vaardigheden. Immers, de eigenschappen van een kandidaat moeten duidelijk naar voren komen en het niveau van de vaardigheden moet toetsbaar zijn.
Sommige managers geloven heilig in referenties; hoewel de referentie een overtuigend middel kunnen zijn, is het de vraag of deze doorslaggevend moet zijn. Prima kandidaten worden afgewezen wegens “gebrek aan ervaring”, terwijl sommige kandidaten ogenschijnlijk “door de mand vallen” met de allerbeste referenties of getuigschriften.
Het is een taboe, maar veel managers vinden het vaker belangrijker om een sleutelwoord te vinden in een CV dat voorkomt in de functieomschrijving dan een analyse. Toegegeven, ik behoorde tevens tot deze groep zondaars: het “skimmen” van CV’s en het beslissen tot selectie kost 3 seconden als je deze methode gebruikt. Deze tijd verlies je helaas weer in de oriënterende gesprekken, omdat je dan juist zoekt op specifieke competenties en vaardigheden.
Volgens Sams Bijzondere Criteria Voor Selectie Kandidaten™, hebben mensen alle competenties van nature, alleen is het niveau van iedere competentie individueel verschillend. Competenties kunnen zich ontwikkelen, alleen kosten deze de nodige investering; dit geldt eveneens voor vaardigheden.
Iedere functie heeft een takenpakket; taken vereisen een set van competenties en vaardigheden. Als je de nodige competenties en vaardigheden van een takenpakket kunt vastleggen aan een profiel, kun je kandidaten selecteren aan de hand daarvan. Wanneer je kandidaten toetst, heb je geen universele test nodig, maar toets je op de nodige kwaliteiten. Ja, managers houden van allround; maar een prachtig gezegde is “A Jack of all trades, is a master of none”.
Profileren is een vaardigheid die een goede manager wilt beheersen. Werknemers zijn investeringen voor langere termijn en ze zijn middelen waar veel verplichtingen aan verbonden zitten. Juist om die redenen is het cruciaal om mensen op de juiste plaats in te zetten; overkwalificatie is een illusie, maar onderkwalificatie een nachtmerrie. Ook zul je een traditionele werving en selectie zelden succes hebben; mooipraterij en ‘opleuken’ van CV’s is eerder de norm dan uitzondering. Een profiel is meer “fool proof”, omdat je de toetsing feitelijk kunt analyseren. Een mooi effect is dat je kandidaten betere feedback kunt geven waarom ze de selectie niet hebben gehaald.
In een serie van artikelen zal ik de competenties en voorbeelden van vaardigheden in diepte behandelen; het zal een eyeopener zijn!
Meer lezen over het onderwerp Management? Klik hier voor een inhoudsopgave naar alle artikelen!

vrijdag 27 april 2012

Verhalen vertellen: De nodige research doen


“Zelfs fantasieverhalen gebruiken realisme.”
                                                            - Sam Rain
Je hoeft niet een volledige literatuurlijst te hebben, maar een referentie kan heel nuttig zijn. Zo hoef je het wiel niet opnieuw uit te vinden en voortborduur je op bestaande ideeën en concepten. Een kinderverhaal gebruikt vaak dieren, een detective speelt zich af op locaties in exotische steden en een zwijmelroman op decors van luxe.
Location, location, location. Een hoofdstad kent trekpleisters: New York kent Times Square, het Statue of Liberty of haar imposante skyline; Parijs biedt de Eiffeltoren, het Louvre en haar restaurantjes met baguettes. Trekpleisters en typerende kenmerken van een locatie maken een omgeving herkenbaar. Door het raampje van de bus zag ze in de verte het topje van de Erasmusbrug uitsteken. Wat een lelijk wit ding, dacht ze. Hint: Sex and The City.
Omschrijving, omschrijving, omschrijving. Een bekend object of vorm maken een realistisch beeld van een gebeurtenis. Een typerende manier van omschrijven is door geluid toe te voegen aan een object. Als je een voorbeeld neemt, kun je ervan afwijken zonder afbreuk te doen aan het object. Het zwarte doosje was versierd met imponerend houtsnijwerk. Hij klikte het slotje behendig open en een droevige melodie kwam hem tegemoet. Daar draaide een kikkertje op een lelie, met een goud kroontje op zijn hoofd. Hint: Diaries of a Shopaholic
Bekende wetenschappers kunnen de geloofwaardigheid van een ‘science fiction’ plot versterken; Einstein is een typische naam die zelfs anti-wetenschappers kennen. Leonardo Da Vinci kun je vast en zeker aan een boek of film koppelen, zonder heel diep na te denken. Met een redelijke basiskennis kun je fantasievolle verhalen schrijven, die realistisch lijken; je leert als het ware de autoriteit van de bekendheden. Hoe serieuzer de autoriteit, des te realistischer – vandaar wetenschappers in plaats van bekende voetbalvrouwen. Hint: Angels & Demons.
Religie gaat gepaard met mystiek; abstract laat veel ruimte over. Echter kun je snel de mist in gaan; het Wicca vergelijken met Satanisme. Laat zien dat je geen inhoudelijke kennis hebt en doet afbreuk aan het verhaal. Rooms-Katholieke ideeën verwarren met Pinksterstromingen wekt meer irritatie dan interesse op. Echter, met de juiste research kun je daarin tegen controverses gebruiken: geesten, engelen of handelingen zoals exorcisme en astrale uittredingen. Hint: Charmed.
Technologie moet kloppen en functioneel zijn; zo kun je prima social media integreren als sleutels tot afstandoverbrugging maar het kan veel gekker: de Babelfish is een visje dat in je oor alles vertaald naar voor jou begrijpelijke taal. De functie van een ‘gadget’ of ‘voertuig’ moet duidelijk zijn – het lost een tijdelijk probleem op. Hint: The Hitchhikers Guide To The Galaxy.
De psychologie is een superlijm; slechte karakters maken een potentieel goed verhaal slap. Een karakter zonder enige obstakels in de geschiedenis is niet eens ‘dapper’ – het spreekt zichzelf tegen. Een ‘bad guy’ wordt niet plotseling goed na een worstelpartij. Gedrag mag afwijken, maar comedy of satire speelt sterk met bestaande lijnen. Zelfs Bert en Ernie hebben een dynamiek van twee vrienden; Ernie is duidelijk jonger vanwege zijn aanhankelijkheid.
Maak je verhaal niet als een kaartenhuis, maar als een solide luchtkasteel – zodat je publiek erover kan zwijmelen.

donderdag 26 april 2012

Verhalen vertellen: De rode draad


“Alle takken van de boom zitten aan de stam of leiden er naar toe.”
                                                                                                - Sam Rain
De rode draad klinkt als een meesterwerk op zichzelf, terwijl het eigenlijk doodeenvoudig is. Echt waar.
Een goed verhaal heeft een begin, een climax en een slot – de hoofdlijn. Hoe complexer het verhaal, hoe mooier het is voor de slimme lezer, maar de draad kwijtraken is een valkuil voor een publiek die het geduld er niet voor heeft. De ‘Hollywood’ formule denkt in twee ‘plotpoints’; het begin bouwt de omgeving en het karakter op, waarna het karakter bij het eerste plotpoint gedwongen wordt richting de climax te gaan (het tweede plotpoint).
De rode draad is eenvoudigweg dit principe – de hoofdlijn met een generieke probleemstelling voor de hoofdkarakters. Aan dit rode draadje hangen de ‘deelvragen’: welke subproblemen moet het karakter ‘oplossen’ en in welke chronologische volgorde? Laten we als voorbeeld een aflevering nemen van een bekende politie/detective serie:
Probleem: Er is een misdaad gepleegd en de identiteit van de pleger is onbekend, met een wereldwijd gevaar;
Oplossing: het was de schaduw regering die alles beheerst.
We hebben een scenario geschept, die we moeten ‘opvullen’ met gebeurtenissen die de karakters ontwikkelen, de toeschouwer geïntegreerd laat en een doelstelling die het verhaal beëindigd (bijv. de arrestatie). Als je geen rode draadjes gebruikt, wordt de serie ‘saai’; er is een formule die min of meer voorspelbaar is. Als we voor het hele ‘seizoen’ een rode draad gebruiken, kan iedere aflevering de ‘ruimte’ zijn om de doelstellingen voor de draad deels te vullen.
Ontwikkeling: Jack verliest zijn gezin aan zijn belangrijke werk.
Probleem: Jack raakt zijn baan kwijt en de groep wordt opgeheven
Oplossing: Jack is gedreven genoeg om het desnoods op eigen houtje te doen.
Zo kan aflevering drie een scene plaatsen die aanleiding geeft tot de ontwikkeling, aflevering 7 en 8 die de ontwikkeling versterkt. De aflevering 12 en 14 bouwen in dialoog en gebeurtenissen op naar het probleem, dat zich in de laatste aflevering manifesteert als óf slot óf cliffhanger. Ze wekken gebeurtenissen ‘zonder’ duidelijk doel een ‘Aha’-moment op; van een simpel dialoog tot een calossale gebeurtenis kan een detail bijdragen aan de draad.
In de Harry Potter-reeks is ieder boek een ‘aflevering’ waar Harry zich steeds meer ontwikkeld; van ontsnapping uit het ouderlijk huis naar de magische wereld en triomferend als jonge held. De ‘wees’ krijgt echter een opbouw naar het eindspel, waar de eenzaamheid ontwikkeld naar verbittering; juist deze rode draad van ontwikkeling maakt van Harry de echte held – niet zo rooskleurig als we vaak denken, maar een strijder met veel verliezen.
De rode draad is formule werk; welke ontwikkeling moet mijn karakter doormaken, welk probleem moet deze op lange termijn oplossen en hoe verdeel het probleem in genoeg deelvragen? Hoe meer mysterie, hoe meer deelvragen je nodig hebt. Trucje: beantwoord sommige vragen wel voor jezelf en niet voor de toeschouwer – het klopt als een geheel, maar houd z’n ‘mystieke’ bekleding.

woensdag 25 april 2012

Verhalen vertellen: De omgeving opbouwen


“Imponeer met details, verover met ruimte.”
                                                            - Sam Rain
Karakters horen in een omgeving; een gebeurtenis koppelt factoren aan die relationeel zijn binnen een bepaalde ruimte. Zo gaat een vliegtuigcrash gepaard met een vliegtuig – hoewel het vrij logisch is voor een ieder wat een vliegtuig is, is het in belang van een goed verhaal de omgeving vorm te geven.
Omgevingen zijn simpel – je neemt een blok ruimte en je zet de criteria ‘vast’; die en die doelen bepalen dat je de ruimte mag betreden en deze dat je de ruimte mag verlaten. Zo voorkom je uren van verbeteren in het maken van een degelijk verhaal en forceer je karakters in redelijke maat te ontwikkelen. Een ruimte creëren zonder doel, zoals een impressionist, maakt een momentopname even ‘wauw’ – maar beweegt geen lezer. Het landschap beschrijven zonder in te zoomen op karakters of een gebeurtenis is een verloren paragraaf. De menselijke geest denkt in relaties, niet in afzonderlijke plaatjes.
Door karakters in een ruimte te laten bewegen, genereer je een tijdsbesef; mensen zijn ‘real-time’ in het verhaal, omdat hun inbeelding deze ‘focus’ forceert. Hij liep richting het raam en keek naar beneden. Het appartement op de bijna-bovenste verdieping had een fantastisch uitzicht op de stad. Toen merkte hij het gouden zakhorloge op het dressoir. Hij pakte het op en liep terug naar Annette. ‘Waar heb je dit vandaan?’ vroeg hij.
Zo kun je in een ruimte van alles plaatsen; je kunt dingen opzichtig verbergen of gewoonweg verschuilen. Je kunt de ruimte belichten, door middel van een raam of een grimmige sfeer geven door verduistering. De ‘Arendsoog’ reeks maakte slim gebruik van het laatste; het hoofdkarakter kan zo goed zijn, dat met weinig licht hij nog van alles kon onderscheiden. Het loste het navigeren op als probleem en gaf hem het voordeel om te ontsnappen. De lange ramen van ‘Nikita’ uit de tv-serie versterkt het gevoel ‘buiten’ de snode corporatie Division – dat als ruimte geheel geen ramen heeft.
Een ruimte kan vele subruimten bevatten; dat tropische eiland met een vulkaan heeft een oerwoud, een strand en een leefgebied. Iedere ruimte sluit zich dan aan op criteria; je kan niet hoppen naar de vulkaan zonder het oerwoud te doorkruizen. Tolkien gebruikt zelfs een wereld met provincies en wateren; bepaalde routes vereisen vastgestelde tijd om te doorkruizen. Het is de kunst om niet je lezers te overdonderen met alle exotische planten in een regio, maar het landschap typerend te maken: een open vlakte maakt rust en een stadje in het donker, grimmig en duister.
De afstand tussen personages binnen een ruimte maakt ook een dynamiek; achtervolgers zijn bijna niet te zien en confrontatie op enkele meters. Een ravijn kan een obstakel zijn voor karakters die bedrieglijk 100 meter van elkaar afstaan. Lange afstanden geven ruimte voor dialoog en ontwikkeling, korte daarin tegen houden de spanning vast. Ze klom langzaam naar beneden via de steile wand. Haar spieren deden krampachtig het zware werk, terwijl ze steen voor rotspunt afdaalde. Het zweet pompte uit iedere porie en gutste langs haar voorhoofd. De afdaling duurde langer dan ze had ingeschat – zo’n fout maakt ze niet meer, dacht ze.
Wees met het maken van ruimtes zorgvuldig; sluit ze aan op andere ruimten en gebruik voertuigen als sleutelruimten. Er zit geen limiet op het gebruiken van ruimte, maar blijf bij de les: ingang- en uitgangcriteria behaald door doelstellingen in die ruimte.

maandag 23 april 2012

Verhalen vertellen: Karakters samenstellen


“Een goede cast is het halve werk.”
                                                - Sam Rain
Twee hoofdkarakters maken een aardig dialoog, maar de kunst zit hem in een groep. Groepsdynamiek versterkt dialogen maar creëert ook een levende wereld. Ook zijn bij-karakters nodig om gebeurtenissen in te kleuren. Ze kunnen werken als sleutels naar nieuwe gebeurtenissen of dramatiseren een situatie.
Zo’n groep karakters heet in de mediawereld een ‘cast’. Het selecteren van stereotypes die dramatiseren heet dan ook ‘typecasting’, zoals een geniepig schurkje dat de oplossing voor een karakter saboteert en de daadwerkelijke schurk binnen de mist houdt zonder de spanning te laten verslappen. Ook het ‘paniekmeisje’ die de held van het verhaal keer op keer moet redden. Iedere bijkarakter werkt dan als ‘versterker’ van de hoofdpersoon. Hoe beter de karakters, hoe levendiger het verhaal.
In tegenstelling tot het hoofdkarakter is het motief veel belangrijker voor de bijkarakter; zonder bewust deel is de aanwezigheid geheel niet logisch. Zoals ik al eerder vertelde, versterken ze het hoofdkarakter; ze kunnen een drijfvermogen versterken van de hoofdpersoon of een aantrekkingskracht hebben tot het maken van een beslissing. Bijkarakters kunnen zich ontwikkelen; echter doen zij dat vaak ik grotere stappen – ze zijn immers minder belicht.
Laten we het verhaal van ‘Spiderman’ eens nemen; een student beschikt over superkrachten na blootstelling van een gemuteerde spin. Het karakter is een intelligente jongeman die behulpzaam is, zodoende bezit het alle eigenschappen. Zijn bijkarakter die als ‘trigger’ werkt is een personage zonder grote historie, maar een stereotype ‘wijze vaderfiguur’ – oom Ben. Pas als hij sterft, “ontwikkeld” het hoofdkarakter tot held. Door een trauma én dit karakter krijgt de held een duidelijk motief als drijfveer.
De boeken van Dan Brown gebruiken bijkarakters als opbouw; het probleem is altijd groots, die in het begin worden ervaren door deze karakters, waardoor ze de lezer in touw houden met de details van het probleem. Zo zijn slechteriken altijd ‘bijrollen’, die de ware schurk bewaren tot de climax en zorgen voor de nodige ‘twist’. Ook sterven de rollen vaak om de tijdsdruk te vergroten op de hoofdpersoon.
Als een hoofdpersoon alles zelf zou weten, wordt een verhaal saai. Spanning komt door nieuwsgierigheid uit te melken, waardoor het handig is om de hoofdpersoon informatie te laten ontbreken. Als sleutelpersonages kunnen zij een geestelijk doolhof vormen, waardoor de hoofdpersoon aan ‘menselijke’ criteria moet voldoen om een nieuwe aanwijzing te krijgen.
Ook kunnen bijrollen uiterlijke kenmerken versterken; zo hebben de dames in de ‘James Bond’-serie het primaire doel om het karakter charmant te maken en ‘woest’ aantrekkelijk. Zo krijgt een spion met ‘Lincense to kill’ een glamour, naast het koelbloedige doden en stalen zenuwen. Indirect versterken ze ook zijn individu – ‘het werk’ gaat nu eenmaal niet nauw met huisje-boompje beestje en ‘gelukkig samen verder’; iedere bruid of ‘potential lover’ legt het loodje.
Een goede ‘cast’ kent dus een karakter die de hoofdpersoon drijft (liefde, woede, verdriet, vriendschap, lust of materieel), een aantal karakters die als sleutels werken van gebeurtenissen (beroepen zoals de receptionist, hoteleigenaar, etc.), de ‘sidekicks’ die de hoofdpersonages bijstaan of saboteren, de dramapoppen (slachtoffers) om situaties levendig te maken en de ‘eigenschappenversterkers’.
Wordt vervolgd...
©SamRain

zondag 22 april 2012

Verhalen vertellen: Karakters bedenken


“Een goed karakter is er één die zich ontwikkelt.”
                                                                        - Sam Rain
Verhalen draaien om personages die in aanraking komen met andere karakters vanwege een serie gebeurtenissen. De prins gaat op zoek naar de gevangen prinses, de actieheld redt de wereld van de gemenerik met snode plannen en de detective lost het mysterie op door de sporen van de dader te volgen. Echter maakt een goed verhaal zich pas, wanneer we erin gezogen worden met inbeelding. We moeten ons dus kunnen herkennen in de karakters.
Vaak beginnen schrijvers met de uiterlijke eigenschappen die zich manifesteren in het eerste hoofdstuk. Daar is op zich niets mis mee, zolang het personage voorzien is van een ‘eigen’ karakter. De geestelijke vader van iedere karakter zal zich los van het motief moeten trekken; een psychologisch profiel zal eerst opgebouwd moeten worden om ieder karakter tot leven te laten komen. Want het karakter bepaalt immers het gedrag.
Als eerst de sekse; welk stereotype zal het karakter volgen in de hoofdlijnen? Macho voor mannen, assertief voor vrouwen zijn een stereotype: eerst doen, dan denken. Intellectueel vraagt om beredenerend denken, terwijl passioneel het impulsieve volgt. Het is beter om een stereotype te volgen dan de perfecte mens in iedere situatie; fouten maken is menselijk en daar herkennen we ons in.
De leeftijd speelt een grote rol in de doelgroep; vrouwen lezen liever een hoofdkarakter dat zich óf profileert als goede wederhelft van een leeftijd tussen 25-30 of een ‘vadertype’ van 50+ bij een mannelijk hoofdpersoon. Bij een vrouwelijk karakter hebben Westerse vrouwen een voorkeur tussen de 27-32 jaar; het is meer voor hen de meest herkenbare leeftijd. Wil je echter een ‘love story’ schrijven, dan is 20 jaar de leeftijd voor kalverliefdes en verhoogde dosis naïviteit. Mannelijke personages voor mannen zijn 20, de ‘rebel’, 25, de jongvolwassene, 30 of 40 voor de rest. Herkennen betekent niet zichzelf in de spiegel zien; het zijn karakters die men in de loop der leven tegenkomt waardoor het verhaal gaat leven (vandaar dat boek beter is dan de film). Kinderverhalen kennen de ‘tweens’ en tieners; tweens zijn 9-12 en tieners 15 tot 18 jaar.
Dan is er een ‘geschiedenis’ – maar niet zoals die van een autobiografie. De historie van een karakter bepaalt hoe ver het op dat moment ontwikkeld is. Waar is het karakter geboren – is dat in een dorp in niemandsland of tussen de drukte in een stad? Het eerste beweegt een karakter in een grote sociale hiërarchie (oplettend, nadenken voor consequenties en hechte familiebanden) en de laatste op een sterker individu (zelfbewust, impulsief, egoïstisch). De trauma’s bepalen hoe verre een karakter beschadigd is – het karakter is anders te glad.
Negatieve ‘afspraken’ die het karakter met zichzelf heeft gemaakt, bepalen het gedrag. Harry Potter is een wees, Rambo verloor zijn liefjes, Belle kwam uit een dorp zonder mama en Aladdin was een zwerver, Alice werkte voor de Umbrella Corp. en Julia Roberts in iedere gespeelde rol kent iets van het verwende meisje. Trauma’s maken een karakter levend.
Een karakter moet ook ontwikkelen; de slechte eigenschappen van een karakter, of eigenlijk beter gezegd de zwakke punten bieden hier de mogelijkheden toe. Een karakter dat zich niet ontwikkeld en niet veranderd in ‘vooroordelen’ of een denkpatroon is als een wassen pop. Vergissen is menselijk, maar leren van fouten ook. Een goed karakter ontwikkeld zich met name door Deja-Vu’s; dezelfde situaties maar een nieuw denkpatroon.
Wordt vervolgd...

zaterdag 21 april 2012

Sam's bijzondere kijk op reincarnatie


“Blijf altijd lezen en wordt geïnspireerd – maar blijf ook zelf denken.”
                                                                                                - Sam Rain
Je kunt over reïncarnatie denken zoals de Hindoes dat doen; ben je lief dan ga je een stap hoger, ben je stout dan keer je terug als kakkerlak. New Age zwervers horen graag dat ze in het vorige leven geweldig waren als prinses of hofdame om een beetje waardering te vinden en sommige radicale yogi’s besteden hun hele leven aan het noppes doen om carrière te maken in de Universele ladder van ‘Atman’.
De Christenen, Moslims en Semieten houden het op de erfzonde; zonder verlossing is de grap voorbij, want Adam en Eva screwed up big time. Net als evolutie, is reïncarnatie een beladen woord: het betekent vrij vertaald ‘ de terugkeer in vlees’. Welk vlees is dan de keuze va de hogere macht. Mits je daarin geloofd.
Ik ben van mening dat God / Hogere Macht / Het Leven een veel ingenieuzer systeem kent. Waarom ieder wezen evalueren op daden terwijl intelligente wezens genoeg capaciteiten kent om deze evaluatie te maken? Want waarom planten wij ons voort?
Mensen groeien. Mensen ontwikkelen. Mensen gaan dood. Daar hoef je geen discussies over te voeren op het niveau van ‘Mensa’ – iedereen kan het vaststellen. Wetenschappelijk, geven we erfelijke eigenschappen door met eiwitjes en DNA en we weten dat organismen zich aanpassen aan de omgeving – van ijsbeer tot Eskimo. Het klinkt Darwinistisch, maar dat is het niet; ik theoriseer niet over een Maker of Niet-Maker. Wel theoriseer ik over erfelijkheid; iedereen heeft de informatie van zijn of haar vader en moeder in zich. Zijn zij dan niet ons ‘vorig leven’? Want willen ouders niet dat kinderen zich verder ontwikkelen dan zij zelf? Gedurende onze opvoeding leren wij van hen de normen en waarden en beïnvloeden zij grotendeels ons gedrag. Niet alleen dragen zij hun geestelijke kennis over, we bestaan ook uit hun originele bouwstenen met de nodige verbeteringen.
Is ons volgende leven dan niet in onze kinderen? Wie heeft niet de wens van nalatenschap aan zijn of haar kroost? Welk mens wilt het niet nog beter doen dan zijn of haar vader of diens fouten niet herhalen? Welk mens neemt geen voorbeeld naar de gedaante van de moeder en kent haar zwakheden.
We worden geboren door onze ouders, zij door die van hen tot millennia terug; in ons zit de informatie – al is het voor delen – die we zullen overdragen naar onze kinderen. sommigen noemen het evolutie, anderen het bevolkingsplan. Ik noem het reïncarnatie. Want waarom is het verplicht om eerst te ‘sterven’ voordat de overdracht van geest moet plaatsvinden? Wat is het nut van vorige levens als je ze niet kunt herinneren en evalueren om vervolgens verder te ontwikkelen? Want zo’n dergelijk systeem is niet alleen onpraktisch, maar ook onlogisch: een eeuwig levende geest maar wel met verstandelijke beperkingen.
Mijn theorie is dat reïncarnatie niet is hoe we over het algemeen reïncarnatie beschouwen, maar een praktisch en nuttig systeem is om ons steeds verder te ontwikkelen. Ook staaft het mijn geloof in een levende kracht achter ontwikkeling in plaats van de dobbelstenen in biochemische processen zoals Darwinisten ze stelten. Einstein had gelijk – duh.
Ik maak geen desillusies over het bestaan of niet bestaan van een hogere macht; ik stel alleen dat indien deze de oorzaak is, geen onpraktisch systeem zou bedenken tussen allerlei geniale uitvindingen, zoals fotosynthese en sneeuwvlokjes.
©SamRain
Reincarnatie