Posts tonen met het label schrijven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schrijven. Alle posts tonen

woensdag 16 mei 2012

Aan mijn lieve zus


“Ik zie dat ik voorlopig meer verleden heb dan toekomst.”
                                                                                    - Fran
çois Bon
Als je spreekt van medeleven,
dan huiver ik met een frons;
Wanneer je zegt zorgen te maken,
dan kookt het bloed in mijn aders;
Je spreekt over het leven,
zijnde het een hel op aarde;
Je treurt als een nabestaande,
over hen die levend zijn;
Over alles en iedereen,
ja – dan heb je commentaar;
die is dat, dat is die,
maar het interesseert je nooit;
Kijken in de spiegel – nee,
dat vertik je maar gewoon;
Aan jou zal het niet liggen,
je bent de onschuld zelve;
Op ieder antwoord weet je ’t beter,
op iedere vraag spreekt je mond;
Leugen op leugens iedere keer,
wel eens van de waarheid gehoord?
Waar het hart vol van zit,
kent jouw mond een tsunami;
Waar de ander steekt in de rug,
lach jij nog eens hartelijk na;
Want je bent zo vol van jezelf,
narcissus verjagend zelfs;
Je voelt je zo verheven,
daar in de verte op je wolk;
Maar ik ken jouw duistere geheim,
sinds mijn geboorte al;
Ik lees dwars door je leugen heen,
als een röntgenmachine;
Je luchtkasteel is voor mij een krot,
de smoesjes verloren lucht:
De slangen op je hoofd,
ik zag ze altijd en nu ook;
Ik wil je dan vertellen,
wie en wat je bent;
Maar hoe vertel je zoiets,
aan dove oren?
Daarom schrijf ik je, lieve Zus, wie niet horen wilt, zal maar moeten lezen. Je bent op de vlucht voor het beeld van je overleden vader en de goedkeuring van je moeder; daarom ben je gaan wonen in de wolken, om de regen te ontwijken, de bliksem niet te horen noch de wind te voelen.
©SamRain
Zus

woensdag 9 mei 2012

Inspiratieloos? Sam's 10 geweldige tips tegen de writersblock


“Kracht zit in het geschreven woord.”
                                                            - Sam Rain
Op Jane’s artikel over inspiratie en schrijven (zie hier), dacht ik meteen aan hoe ik dit probleem oplos. Vaak zijn er die momenten wanneer je vind dat je moét schrijven, maar je op nul staat. Daarom 10 geweldige tips om je ‘writersblock’ op te heffen!
1)    Originaliteit maakt een artikel bijzonder, maar je schrijft geen Pullitzer artikelen voor de prijs. Je kunt prima schrijven over ouwe meuk. Oud nieuws heet geschiedenis – het wordt niet minder waardevol.
2)    Formule werk; volg een vaste opzet voor alles wat je schrijft. Zo ontwikkel je tussentijds een eigen stijl en weet je hoeveel je schrijft – een soort quotum voor tekst. Less is more!
3)    Gebruik een bepaald onderwerp (politiek, werk, macht, zingeving, geloof, psychologie, wetenschap, sport, actualiteit, etc.) en kies een standpunt uit. Schets het beeld, vertel over het standpunt en voeg er je conclusie toe.
4)    Wees meedogenloos in wat je wilt vertellen; doe net alsof je moet spreken op een congres van het onderwerp voor 1000 man en je er nog een dag de tijd voor over hebt.
5)    Kies desnoods willekeurig, maar kies! Het is vaak makkelijker om te schrijven over zaken waar je wat over weet; het is leuker om te schrijven over zaken waar je niets van weet! Opinie is leuk, maar objectieve informatie ook!
6)    Gebruik een inspiratiebron (of meer): een citatenboek, een theologisch / filosofisch boek, Slam FM of Classis Rock, de achterzijde van cakemix pakjes. Alles wat je aan het denken zet – of nog beter: alles wat een vraag oproept!
7)    Bedenk of herinner je principes van school: werkstukken, boekverslagen, stageverslagen of je scriptie en theses!
8)    Heb lef en wees meedogenloos; tijdens het proces van schrijven hoef je geen rekening te houden met de gevoelens of opinie van anderen (doe dat maar tijdens het ‘proof readen’). Het is je volste recht – vrijheid van meningsuiting!
9)    Gebruik hedendaagse technologie; hoe mensen erover denken kan via Social Media (Twitter, Facebook), de actualiteit via Google Alerts en de theoretische achtergrond vind je met een klik op Wikipedia.
10) Besef dat het denkproces in je bovenkamer nooit stopt – er is altijd wel iets waar je aan denkt, dus is er ook altijd iets om over te schrijven!

vrijdag 27 april 2012

Verhalen vertellen: De nodige research doen


“Zelfs fantasieverhalen gebruiken realisme.”
                                                            - Sam Rain
Je hoeft niet een volledige literatuurlijst te hebben, maar een referentie kan heel nuttig zijn. Zo hoef je het wiel niet opnieuw uit te vinden en voortborduur je op bestaande ideeën en concepten. Een kinderverhaal gebruikt vaak dieren, een detective speelt zich af op locaties in exotische steden en een zwijmelroman op decors van luxe.
Location, location, location. Een hoofdstad kent trekpleisters: New York kent Times Square, het Statue of Liberty of haar imposante skyline; Parijs biedt de Eiffeltoren, het Louvre en haar restaurantjes met baguettes. Trekpleisters en typerende kenmerken van een locatie maken een omgeving herkenbaar. Door het raampje van de bus zag ze in de verte het topje van de Erasmusbrug uitsteken. Wat een lelijk wit ding, dacht ze. Hint: Sex and The City.
Omschrijving, omschrijving, omschrijving. Een bekend object of vorm maken een realistisch beeld van een gebeurtenis. Een typerende manier van omschrijven is door geluid toe te voegen aan een object. Als je een voorbeeld neemt, kun je ervan afwijken zonder afbreuk te doen aan het object. Het zwarte doosje was versierd met imponerend houtsnijwerk. Hij klikte het slotje behendig open en een droevige melodie kwam hem tegemoet. Daar draaide een kikkertje op een lelie, met een goud kroontje op zijn hoofd. Hint: Diaries of a Shopaholic
Bekende wetenschappers kunnen de geloofwaardigheid van een ‘science fiction’ plot versterken; Einstein is een typische naam die zelfs anti-wetenschappers kennen. Leonardo Da Vinci kun je vast en zeker aan een boek of film koppelen, zonder heel diep na te denken. Met een redelijke basiskennis kun je fantasievolle verhalen schrijven, die realistisch lijken; je leert als het ware de autoriteit van de bekendheden. Hoe serieuzer de autoriteit, des te realistischer – vandaar wetenschappers in plaats van bekende voetbalvrouwen. Hint: Angels & Demons.
Religie gaat gepaard met mystiek; abstract laat veel ruimte over. Echter kun je snel de mist in gaan; het Wicca vergelijken met Satanisme. Laat zien dat je geen inhoudelijke kennis hebt en doet afbreuk aan het verhaal. Rooms-Katholieke ideeën verwarren met Pinksterstromingen wekt meer irritatie dan interesse op. Echter, met de juiste research kun je daarin tegen controverses gebruiken: geesten, engelen of handelingen zoals exorcisme en astrale uittredingen. Hint: Charmed.
Technologie moet kloppen en functioneel zijn; zo kun je prima social media integreren als sleutels tot afstandoverbrugging maar het kan veel gekker: de Babelfish is een visje dat in je oor alles vertaald naar voor jou begrijpelijke taal. De functie van een ‘gadget’ of ‘voertuig’ moet duidelijk zijn – het lost een tijdelijk probleem op. Hint: The Hitchhikers Guide To The Galaxy.
De psychologie is een superlijm; slechte karakters maken een potentieel goed verhaal slap. Een karakter zonder enige obstakels in de geschiedenis is niet eens ‘dapper’ – het spreekt zichzelf tegen. Een ‘bad guy’ wordt niet plotseling goed na een worstelpartij. Gedrag mag afwijken, maar comedy of satire speelt sterk met bestaande lijnen. Zelfs Bert en Ernie hebben een dynamiek van twee vrienden; Ernie is duidelijk jonger vanwege zijn aanhankelijkheid.
Maak je verhaal niet als een kaartenhuis, maar als een solide luchtkasteel – zodat je publiek erover kan zwijmelen.

donderdag 26 april 2012

Verhalen vertellen: De rode draad


“Alle takken van de boom zitten aan de stam of leiden er naar toe.”
                                                                                                - Sam Rain
De rode draad klinkt als een meesterwerk op zichzelf, terwijl het eigenlijk doodeenvoudig is. Echt waar.
Een goed verhaal heeft een begin, een climax en een slot – de hoofdlijn. Hoe complexer het verhaal, hoe mooier het is voor de slimme lezer, maar de draad kwijtraken is een valkuil voor een publiek die het geduld er niet voor heeft. De ‘Hollywood’ formule denkt in twee ‘plotpoints’; het begin bouwt de omgeving en het karakter op, waarna het karakter bij het eerste plotpoint gedwongen wordt richting de climax te gaan (het tweede plotpoint).
De rode draad is eenvoudigweg dit principe – de hoofdlijn met een generieke probleemstelling voor de hoofdkarakters. Aan dit rode draadje hangen de ‘deelvragen’: welke subproblemen moet het karakter ‘oplossen’ en in welke chronologische volgorde? Laten we als voorbeeld een aflevering nemen van een bekende politie/detective serie:
Probleem: Er is een misdaad gepleegd en de identiteit van de pleger is onbekend, met een wereldwijd gevaar;
Oplossing: het was de schaduw regering die alles beheerst.
We hebben een scenario geschept, die we moeten ‘opvullen’ met gebeurtenissen die de karakters ontwikkelen, de toeschouwer geïntegreerd laat en een doelstelling die het verhaal beëindigd (bijv. de arrestatie). Als je geen rode draadjes gebruikt, wordt de serie ‘saai’; er is een formule die min of meer voorspelbaar is. Als we voor het hele ‘seizoen’ een rode draad gebruiken, kan iedere aflevering de ‘ruimte’ zijn om de doelstellingen voor de draad deels te vullen.
Ontwikkeling: Jack verliest zijn gezin aan zijn belangrijke werk.
Probleem: Jack raakt zijn baan kwijt en de groep wordt opgeheven
Oplossing: Jack is gedreven genoeg om het desnoods op eigen houtje te doen.
Zo kan aflevering drie een scene plaatsen die aanleiding geeft tot de ontwikkeling, aflevering 7 en 8 die de ontwikkeling versterkt. De aflevering 12 en 14 bouwen in dialoog en gebeurtenissen op naar het probleem, dat zich in de laatste aflevering manifesteert als óf slot óf cliffhanger. Ze wekken gebeurtenissen ‘zonder’ duidelijk doel een ‘Aha’-moment op; van een simpel dialoog tot een calossale gebeurtenis kan een detail bijdragen aan de draad.
In de Harry Potter-reeks is ieder boek een ‘aflevering’ waar Harry zich steeds meer ontwikkeld; van ontsnapping uit het ouderlijk huis naar de magische wereld en triomferend als jonge held. De ‘wees’ krijgt echter een opbouw naar het eindspel, waar de eenzaamheid ontwikkeld naar verbittering; juist deze rode draad van ontwikkeling maakt van Harry de echte held – niet zo rooskleurig als we vaak denken, maar een strijder met veel verliezen.
De rode draad is formule werk; welke ontwikkeling moet mijn karakter doormaken, welk probleem moet deze op lange termijn oplossen en hoe verdeel het probleem in genoeg deelvragen? Hoe meer mysterie, hoe meer deelvragen je nodig hebt. Trucje: beantwoord sommige vragen wel voor jezelf en niet voor de toeschouwer – het klopt als een geheel, maar houd z’n ‘mystieke’ bekleding.

woensdag 25 april 2012

Verhalen vertellen: De omgeving opbouwen


“Imponeer met details, verover met ruimte.”
                                                            - Sam Rain
Karakters horen in een omgeving; een gebeurtenis koppelt factoren aan die relationeel zijn binnen een bepaalde ruimte. Zo gaat een vliegtuigcrash gepaard met een vliegtuig – hoewel het vrij logisch is voor een ieder wat een vliegtuig is, is het in belang van een goed verhaal de omgeving vorm te geven.
Omgevingen zijn simpel – je neemt een blok ruimte en je zet de criteria ‘vast’; die en die doelen bepalen dat je de ruimte mag betreden en deze dat je de ruimte mag verlaten. Zo voorkom je uren van verbeteren in het maken van een degelijk verhaal en forceer je karakters in redelijke maat te ontwikkelen. Een ruimte creëren zonder doel, zoals een impressionist, maakt een momentopname even ‘wauw’ – maar beweegt geen lezer. Het landschap beschrijven zonder in te zoomen op karakters of een gebeurtenis is een verloren paragraaf. De menselijke geest denkt in relaties, niet in afzonderlijke plaatjes.
Door karakters in een ruimte te laten bewegen, genereer je een tijdsbesef; mensen zijn ‘real-time’ in het verhaal, omdat hun inbeelding deze ‘focus’ forceert. Hij liep richting het raam en keek naar beneden. Het appartement op de bijna-bovenste verdieping had een fantastisch uitzicht op de stad. Toen merkte hij het gouden zakhorloge op het dressoir. Hij pakte het op en liep terug naar Annette. ‘Waar heb je dit vandaan?’ vroeg hij.
Zo kun je in een ruimte van alles plaatsen; je kunt dingen opzichtig verbergen of gewoonweg verschuilen. Je kunt de ruimte belichten, door middel van een raam of een grimmige sfeer geven door verduistering. De ‘Arendsoog’ reeks maakte slim gebruik van het laatste; het hoofdkarakter kan zo goed zijn, dat met weinig licht hij nog van alles kon onderscheiden. Het loste het navigeren op als probleem en gaf hem het voordeel om te ontsnappen. De lange ramen van ‘Nikita’ uit de tv-serie versterkt het gevoel ‘buiten’ de snode corporatie Division – dat als ruimte geheel geen ramen heeft.
Een ruimte kan vele subruimten bevatten; dat tropische eiland met een vulkaan heeft een oerwoud, een strand en een leefgebied. Iedere ruimte sluit zich dan aan op criteria; je kan niet hoppen naar de vulkaan zonder het oerwoud te doorkruizen. Tolkien gebruikt zelfs een wereld met provincies en wateren; bepaalde routes vereisen vastgestelde tijd om te doorkruizen. Het is de kunst om niet je lezers te overdonderen met alle exotische planten in een regio, maar het landschap typerend te maken: een open vlakte maakt rust en een stadje in het donker, grimmig en duister.
De afstand tussen personages binnen een ruimte maakt ook een dynamiek; achtervolgers zijn bijna niet te zien en confrontatie op enkele meters. Een ravijn kan een obstakel zijn voor karakters die bedrieglijk 100 meter van elkaar afstaan. Lange afstanden geven ruimte voor dialoog en ontwikkeling, korte daarin tegen houden de spanning vast. Ze klom langzaam naar beneden via de steile wand. Haar spieren deden krampachtig het zware werk, terwijl ze steen voor rotspunt afdaalde. Het zweet pompte uit iedere porie en gutste langs haar voorhoofd. De afdaling duurde langer dan ze had ingeschat – zo’n fout maakt ze niet meer, dacht ze.
Wees met het maken van ruimtes zorgvuldig; sluit ze aan op andere ruimten en gebruik voertuigen als sleutelruimten. Er zit geen limiet op het gebruiken van ruimte, maar blijf bij de les: ingang- en uitgangcriteria behaald door doelstellingen in die ruimte.

maandag 23 april 2012

Verhalen vertellen: Karakters samenstellen


“Een goede cast is het halve werk.”
                                                - Sam Rain
Twee hoofdkarakters maken een aardig dialoog, maar de kunst zit hem in een groep. Groepsdynamiek versterkt dialogen maar creëert ook een levende wereld. Ook zijn bij-karakters nodig om gebeurtenissen in te kleuren. Ze kunnen werken als sleutels naar nieuwe gebeurtenissen of dramatiseren een situatie.
Zo’n groep karakters heet in de mediawereld een ‘cast’. Het selecteren van stereotypes die dramatiseren heet dan ook ‘typecasting’, zoals een geniepig schurkje dat de oplossing voor een karakter saboteert en de daadwerkelijke schurk binnen de mist houdt zonder de spanning te laten verslappen. Ook het ‘paniekmeisje’ die de held van het verhaal keer op keer moet redden. Iedere bijkarakter werkt dan als ‘versterker’ van de hoofdpersoon. Hoe beter de karakters, hoe levendiger het verhaal.
In tegenstelling tot het hoofdkarakter is het motief veel belangrijker voor de bijkarakter; zonder bewust deel is de aanwezigheid geheel niet logisch. Zoals ik al eerder vertelde, versterken ze het hoofdkarakter; ze kunnen een drijfvermogen versterken van de hoofdpersoon of een aantrekkingskracht hebben tot het maken van een beslissing. Bijkarakters kunnen zich ontwikkelen; echter doen zij dat vaak ik grotere stappen – ze zijn immers minder belicht.
Laten we het verhaal van ‘Spiderman’ eens nemen; een student beschikt over superkrachten na blootstelling van een gemuteerde spin. Het karakter is een intelligente jongeman die behulpzaam is, zodoende bezit het alle eigenschappen. Zijn bijkarakter die als ‘trigger’ werkt is een personage zonder grote historie, maar een stereotype ‘wijze vaderfiguur’ – oom Ben. Pas als hij sterft, “ontwikkeld” het hoofdkarakter tot held. Door een trauma én dit karakter krijgt de held een duidelijk motief als drijfveer.
De boeken van Dan Brown gebruiken bijkarakters als opbouw; het probleem is altijd groots, die in het begin worden ervaren door deze karakters, waardoor ze de lezer in touw houden met de details van het probleem. Zo zijn slechteriken altijd ‘bijrollen’, die de ware schurk bewaren tot de climax en zorgen voor de nodige ‘twist’. Ook sterven de rollen vaak om de tijdsdruk te vergroten op de hoofdpersoon.
Als een hoofdpersoon alles zelf zou weten, wordt een verhaal saai. Spanning komt door nieuwsgierigheid uit te melken, waardoor het handig is om de hoofdpersoon informatie te laten ontbreken. Als sleutelpersonages kunnen zij een geestelijk doolhof vormen, waardoor de hoofdpersoon aan ‘menselijke’ criteria moet voldoen om een nieuwe aanwijzing te krijgen.
Ook kunnen bijrollen uiterlijke kenmerken versterken; zo hebben de dames in de ‘James Bond’-serie het primaire doel om het karakter charmant te maken en ‘woest’ aantrekkelijk. Zo krijgt een spion met ‘Lincense to kill’ een glamour, naast het koelbloedige doden en stalen zenuwen. Indirect versterken ze ook zijn individu – ‘het werk’ gaat nu eenmaal niet nauw met huisje-boompje beestje en ‘gelukkig samen verder’; iedere bruid of ‘potential lover’ legt het loodje.
Een goede ‘cast’ kent dus een karakter die de hoofdpersoon drijft (liefde, woede, verdriet, vriendschap, lust of materieel), een aantal karakters die als sleutels werken van gebeurtenissen (beroepen zoals de receptionist, hoteleigenaar, etc.), de ‘sidekicks’ die de hoofdpersonages bijstaan of saboteren, de dramapoppen (slachtoffers) om situaties levendig te maken en de ‘eigenschappenversterkers’.
Wordt vervolgd...
©SamRain

zondag 22 april 2012

Verhalen vertellen: Karakters bedenken


“Een goed karakter is er één die zich ontwikkelt.”
                                                                        - Sam Rain
Verhalen draaien om personages die in aanraking komen met andere karakters vanwege een serie gebeurtenissen. De prins gaat op zoek naar de gevangen prinses, de actieheld redt de wereld van de gemenerik met snode plannen en de detective lost het mysterie op door de sporen van de dader te volgen. Echter maakt een goed verhaal zich pas, wanneer we erin gezogen worden met inbeelding. We moeten ons dus kunnen herkennen in de karakters.
Vaak beginnen schrijvers met de uiterlijke eigenschappen die zich manifesteren in het eerste hoofdstuk. Daar is op zich niets mis mee, zolang het personage voorzien is van een ‘eigen’ karakter. De geestelijke vader van iedere karakter zal zich los van het motief moeten trekken; een psychologisch profiel zal eerst opgebouwd moeten worden om ieder karakter tot leven te laten komen. Want het karakter bepaalt immers het gedrag.
Als eerst de sekse; welk stereotype zal het karakter volgen in de hoofdlijnen? Macho voor mannen, assertief voor vrouwen zijn een stereotype: eerst doen, dan denken. Intellectueel vraagt om beredenerend denken, terwijl passioneel het impulsieve volgt. Het is beter om een stereotype te volgen dan de perfecte mens in iedere situatie; fouten maken is menselijk en daar herkennen we ons in.
De leeftijd speelt een grote rol in de doelgroep; vrouwen lezen liever een hoofdkarakter dat zich óf profileert als goede wederhelft van een leeftijd tussen 25-30 of een ‘vadertype’ van 50+ bij een mannelijk hoofdpersoon. Bij een vrouwelijk karakter hebben Westerse vrouwen een voorkeur tussen de 27-32 jaar; het is meer voor hen de meest herkenbare leeftijd. Wil je echter een ‘love story’ schrijven, dan is 20 jaar de leeftijd voor kalverliefdes en verhoogde dosis naïviteit. Mannelijke personages voor mannen zijn 20, de ‘rebel’, 25, de jongvolwassene, 30 of 40 voor de rest. Herkennen betekent niet zichzelf in de spiegel zien; het zijn karakters die men in de loop der leven tegenkomt waardoor het verhaal gaat leven (vandaar dat boek beter is dan de film). Kinderverhalen kennen de ‘tweens’ en tieners; tweens zijn 9-12 en tieners 15 tot 18 jaar.
Dan is er een ‘geschiedenis’ – maar niet zoals die van een autobiografie. De historie van een karakter bepaalt hoe ver het op dat moment ontwikkeld is. Waar is het karakter geboren – is dat in een dorp in niemandsland of tussen de drukte in een stad? Het eerste beweegt een karakter in een grote sociale hiërarchie (oplettend, nadenken voor consequenties en hechte familiebanden) en de laatste op een sterker individu (zelfbewust, impulsief, egoïstisch). De trauma’s bepalen hoe verre een karakter beschadigd is – het karakter is anders te glad.
Negatieve ‘afspraken’ die het karakter met zichzelf heeft gemaakt, bepalen het gedrag. Harry Potter is een wees, Rambo verloor zijn liefjes, Belle kwam uit een dorp zonder mama en Aladdin was een zwerver, Alice werkte voor de Umbrella Corp. en Julia Roberts in iedere gespeelde rol kent iets van het verwende meisje. Trauma’s maken een karakter levend.
Een karakter moet ook ontwikkelen; de slechte eigenschappen van een karakter, of eigenlijk beter gezegd de zwakke punten bieden hier de mogelijkheden toe. Een karakter dat zich niet ontwikkeld en niet veranderd in ‘vooroordelen’ of een denkpatroon is als een wassen pop. Vergissen is menselijk, maar leren van fouten ook. Een goed karakter ontwikkeld zich met name door Deja-Vu’s; dezelfde situaties maar een nieuw denkpatroon.
Wordt vervolgd...