Posts tonen met het label woede. Alle posts tonen
Posts tonen met het label woede. Alle posts tonen

maandag 18 maart 2013

Woede is mijn kern


"Iedereen kent angst."
                                      — Sam Rain
Ik ben boos. Niet dat je het zal merken. Nee, niet boos als in boos op iemand. Maar gewoon boos. Nee, niet als in ontevreden. Maar gewoon boos. Boos, omdat ik bagage meedraag. Boos zijn is mijn benzine. Boos zijn, daarin ligt mijn innerlijke kracht.
Wie mij niet kent, vraagt waarom ik boos ben. Als ik het hele verhaal zou vertellen, dan zou de reeks van Tolkien een luchtig krantenknipseltje zijn. Ik heb daar geen behoefte aan, want ik heb geen verantwoordelijkheid over waarom ik boos ben gemaakt. Wel ben ik verantwoordelijk wat ik nu met deze boosheid doe. Volgens sommige mensen is mijn boosheid niet goed. Daar ben ik het mee eens. Mijn boosheid is niet goed voor diegenen die er een lucifer bijhouden.
Wanneer ik als boos persoon bozer word gemaakt, dan gaat de doos van Pandora open. Alles wat mij boos maakt. projecteer op hen die dit doen. En oh, wat ben ik boos. Achter de gesloten deur van mijn hart, schuilt een schaduwrijk van trauma. Wie de doos opent, vraagt om een Apocalyps. Wie de doos opent, doet een verzoek om euthanasie.
Het is een kracht die mij zeker maakt. Ik ben volledig bewust dat de boosheid niet meer los staat van mijn karakter. Het is er altijd. Het sluimert, maar herinnert mij dagelijks aan zijn aanwezigheid. Mijn boosheid houdt mijn lichaam en geest bij een. Het is als een magnetisch veld, het Higgs-Boson van mijn psyche. Mijn boosheid loslaten is alsof ik mijzelf zou verloochenen.
Er zijn mensen die willen dat ik niet meer boos ben. Er zijn mensen die beseffen hoe het monster, de draak, in mijn binnenste gevaarlijk is voor mijzelf en anderen. Maar ik koester het monster. Want waar niemand mij beschermde, beschermde Woede mij. Waar niemand mij rechtvaardigheid gaf, daar is Woede mijn vergelder. Ik ben intrinsiek boos. Omdat mijn persoonlijkheid in banen rond mijn Woede draait. Ik ben boos, omdat ik in de kern vol woede zit. En gezamenlijk noem ik ze het monster. Niet monster omdat deze mij angst inboezemt, maar omdat deze anderen angst in boezemt.
Ik voel mij veilig wanneer anderen angst ervaren. Ik snuif het op alsof het zijnde een aroma van een parfum. Ik proef het als een zoete delicatesse. De angst van anderen, maakt mij euforisch. Zo houd ik ze op afstand. Want ik wil ze niet dichtbij. Op anderen kun je niet rekenen. In anderen kun je niet vertrouwen. Anderen zijn lafaards. Een ander is duidelijk niet een deel van mij.
Hen die ik toelaat om te wandelen in mijn rijk van schimmen, houd ik toch op afstand. Ze mogen kijken onder voorwaarden. Ik ben bang dat ze het boos aantasten. Bang dat ze zullen zeggen dat de Woede lelijk is. Terwijl ik het een prachtig kunstwerk vind. Psychologen zouden het willen beschrijven, psychiaters erop willen experimenteren. Vrouwen willen het roze schilderen, mannen willen het kopiëren. Maar niemand beseft dat de Woede is zoals deze is, omdat het zichzelf is. De Woede die ik koester is in zijn vorm uniek. Waar men giftanden ziet en angstaanjagende ogen, schubben en messcherpe klauwen, daar voel ik mij veilig.
Ik ben boos. En daar ben ik tevreden mee.
©SamRain
Woede

zondag 13 januari 2013

De Vergelder Ontwaakt


"Wraak is zoet, maar vult nooit de maag"
                                                             - Sam Rain
Ik ga je vinden, ik zal je
gaan zoeken
En daarna zal ik je
bestraffen
Ik zal de maat bepalen, en
je zult pijn lijden
Zoals je nooit hebt
ervaren
Er zal geen genade over je
vallen, geen traan gelaten
Je nachtmerries zullen
werkelijk worden
Niemand zal in woorden
kunnen omvatten in
datgene wat ik je zal laten
ervaren
Niemand zal begrijpen in
welke omstandigheden je
zult verkeren wanneer je
mijn toorn zal voelen
Er zal geen verhaal
waaraan je de pijn zult
kunnen vergelijken,
Er zal geen hel zijn
waar je om kunt wensen
wanneer het komt
Je zult innig branden,
verbranden, gebrandmerkt
worden en je zwart ziet
Je zult gefolterd worden
totdat je niets meer kent
dan pijn
En wanneer je zult roepen
om genade, en je spijt zal
betuigen dan zal ik lachen
Je daden zijn
onvergefelijk
De gevolgen zijn
onomkeerbaar
De schade kent geen prijs,
maar wel onschatbare
waarde
Je staat in het rood, en de
inlossing kan alleen in
bloed
Naast je botten zal ook je
geest het begeven
Vernederd zul je worden
 en tot gespleten
Je zal smeken om de dood
 en je zult verlangen naar
 het vagevuur
Je zal huilen totdat er
geen traan meer kan
ontstaan en schreeuwen
totdat je zit zonder geluid
De pijn in je verschroeide
ogen zal niets zijn met de
angst in je oren die
ontstaat door je eigen
geschreeuw
Je handen zullen voelen
als zijnde geamputeerd
Je benen gevoelloos door
het kokende water
Zelfs de smaak van het
bloed in je mond door het
trekken van je tanden
proeft zoet in vergelijking
met de wraak die je zult
ontvangen
Ik ben de vergelder, de
administrateur die verhaal
komt halen
Ik ben de vergelder, die je
alles ontneemt als rente
voor je bewind
Ik ben de vergelder, die
als Beul je komt
bestraffen
Ik ben de vergelder, die
uit wraak je komt zoeken
en je betaald wat je hebt
opgespaard.
En wanneer je denkt dat
ik genoegdoening heb
gehad, dan zal je het
betreuren
Ik ben de vergelder die
onverzadigbaar is — de
zoete wraak, die als een
ziekte zich verbergt in de
geest en groeit uit het
zaadje dat je zelf hebt
geplant.
Ik kom wanneer je het
niet verwacht, ik ben er
wanneer je denkt mij niet
te hoeven vrezen.
En op dat moment, sla ik
toe en verander mijzelf in
de vergelder die ontwaakt
©SamRain
Vergelding

zondag 3 juni 2012

Papa, je bent dood - De woede achteraf


“Het is moeilijk om los te laten, maar je moet.”
                                                            - Sam Rain
Papa zei ik nooit. Alleen als je er niet was. Zo werd je niet aangesproken; jij had liever vader. Of meneer.
Je was altijd streng. Vaak onrechtvaardig. Zoveel deed je voor anderen, maar voor mij deed je het nodige. Ja, ik weet het. Voor jou was ik een last. Een verantwoordelijkheid.
Ik doe mijn best om te herinneren wanneer je een blijk gaf van waardering. Het enige dat naar boven komt is het patatje met. Maar was dat met mij of deed je dat omdat je trek had? Je mocht die tijd toch geen mayonaise?
Je wilde dat ik het hoogste zou bereiken, maar wat ik ook deed – in jouw ogen faalde ik altijd. Met fietsen, met het kiezen voor mama, met mijn cijfers. Waarom was ik altijd voor jou toch een teleurstelling? Ik deed het toch beter dan de rest? Want papa, ik deed het voor jou.
Toen je ziek werd en ik je iedere week kwam bezoeken, vroeg je naar Broer. Je sprak niet eens mijn naam uit, maar Oom die je attendeerde op mijn aanwezigheid, daar praatte je uren mee zonder een blik naar mij te richten.
Je ging dood. Oom belde mama en ze vertelde het mij in tranen. Ik omhelsde haar en zei niets. Niet dat ik niet wist wat ik moest zeggen, maar mijn woorden zouden onthullen dat ik niet treurde om het verlies. Want papa, als ik nu alles optel, dan heb ik niet zoveel verloren.
©SamRain
Vader

zaterdag 21 januari 2012

Het monster in mij


“Wij zijn altijd doorgewinterde moralisten als het om anderen gaat”
                                                                                                  – O. Welles
Ogenschijnlijk lijk ik normaal, onder een loep uitzonderlijk. Ik bezit de kwaliteiten waar anderen jaloers op kunnen worden en zo ruim om zelfs arrogant over te zijn. Ik ben slim, knap en heb een radar voor mensen. Toch zit er een productiefout die verscholen zit in mijn diepste Zijn; er leeft een monster in mij.
Het monster is angstaanjagend; zijn geschubde huid, zijn reptielachtige pupil en vlijmscherpe tanden zijn altijd aanwezig, alsof het wacht op dat ene moment van zwakte. Ergens illusseer ik dat het aan ketenen zit, gemuilkorfd is in een zwaarbeveiligde kooi. Maar het weet wel beter. Met zijn dodelijk gif consumeert het mij tot een manifestatie van hemzelf. Het monster is dodelijk; het monster is sterker dan ik.
Jarenlang heb ik het gevoed met de ingrediënten uit de winkel der Hel: woede, pijn, angst en verdriet. Als een parasiet begon het, waarna het groeide tot groter dan mijzelf. Ik dacht, als ik het monster tem en bij me houd, dan ben ik veilig; het werd mijn waker en beschermheer. Ergens was ik verheugd om dit monster te koesteren; het leefde van mijn bagage en was sterk waar ik niet sterk kon zijn. Het monster zou mij immers nooit verlaten, noch verraden als mijn onuitputtelijke bondgenoot. Maar wilde dieren laten zich nimmer temmen zoals de Siberische tijger; zijn natuur is om te bijten en zijn prooi te consumeren, maar zoals in elke vorm van intense liefde, was ik blind voor zijn honende lach en doof voor zijn duivelse grijns. Het monster was geen monster toen voor mij.
Ik zag het monster soms vluchtig in de spiegel, of achter mijn mondhoeken. Het liet een glimp zien van zichzelf in een frons of koude blik. Langzaam nam het meer terrein in en strekte het zijn leefgebied uit tot het landschap van mijn denken; het vergiftigde mijn opvattingen en at in het geniep van de vruchten der wijsheid. Dan zag het soms een kans, een moment van opportunisme, en brak zijn klauw door mijn vuist; om uit te halen naar hen dichtbij mij. Ik zou liegen als ik zei dat ik er niet van genoot; ik zou liegen als ik het vond als een ziekte in mij.
Maar het monster werd groter en hongeriger en had aan mijn vijanden niet genoeg; het knaagde aan mijn botten, hart en longen, langzaam consumeerde het mij. Het at mijn ogen en braakte uit mijn oren; het leefde door mij. Ik eens ooit onverschrokken was plotseling geketend en onderworpen door deze donkere zijde in mij. Als een toeschouwer gedwongen, zag ik hoe het monster onbezonnen te werk ging met hetgeen wat eens mijn leven en lichaam was. Het had mij geconsumeerd als een voederbak vol verse haat; met huid en haar een tere ziel verslonden.
Opgesloten, zat ik dan, ik een koude kerker binnen in mijn geest. Opgesloten door een monster zo duivels, dat eens mijn beschermer was geweest. Geen bord van genade, geen beker vol vrede; alleen de karige maden van angst was er te eten. Maar het monster maakte een grote fout: hij had me verslonden, maar was vergeten te kauwen. Ondanks alle pijn en ellende bleef een klein deel van mij behouden. Met vingers vol bloed en afgebeten benen, klom ik in het duister uit de donkere put van wanhoop. Een klein hart pompte krachtig met weinig hoop door het oerwoud van teleurstelling en leugens, scheppende water uit de bron van kracht. Maar de pijn was zo ondragelijk en de dood nabij, het einde naderde.
Plots kwam daar een engel in een gewaad van liefde en schoenen van troost; lippen van warmte en een jas van hoop. Ze zei, sta op en ga heen naar dat monster; versla het met dit zwaard. Het zwaard was gemaakt van vertrouwen. Nog steeds het monster niet verslagen; ik bevecht het nog steeds. Maar nimmer meer zal ik falen, want het is mijn vijand geworden. Het monster in mij is er nog steeds – mijn angst ervoor niet.
©SamRain
Monster in mij