Posts tonen met het label straat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label straat. Alle posts tonen

maandag 24 december 2012

Madam, Pedro en X


"Tabak is net zo verslavend als heroïne."
                                                              — Sam Rain
Gelukkig regende het niet. De donkere binnenstraat was zwak verlicht door de doffe lantaarnpaal en gaf, ondanks de centrale locatie, een grimmig gevoel. Ze was niet thuis. De elektronische bel was gedempt te horen, maar bleef onbeantwoord. De lichten waren uit, de gordijnen niet geopend. Ze was de laatste hoop.
De dikke vrouw bij de container neuriede zachtjes terwijl ze haar goedkope tabak uit een van haar zakken haalde. Het duwwagentje was verroest en vol met stoffige kledij. Ik had haar vaker gezien — vaak onderweg naar nergens en vanavond zat ze uitgerekend hier. Haar grijszwarte haren leken alle kanten op te gaan, maar het zou vast het minste van haar zorgen zijn. Ik drukte nog eens op de bel. Zou ze vroeg of laat thuis komen? Ik had haar maanden niet meer gesproken. Vast en zeker druk met haar nieuwe baan.
De volle maan schemerde als een stille observant achter de wolken. Het geluid van auto's kwamen net zo snel op als ze wegvaagden in de wind. Hoe later het werd hoe minder het er werden. Ik voelde voor de zoveelste keer in mijn zakken — alsof ze magisch gevuld zouden worden met iets te roken. Ze bleven leeg. Geen gerinkel van muntgeld om het 'probleem' op te lossen.
De dikke vrouw bleef ongestoord neuriën alsof ze in een trance was. Ze draaide er één. En stak hem aan. De geur van nicotine gleed door de wind en betoverde me. Ik haalde diep in en sloot voor een moment m'n ogen — genietend van de kankerwolk. Zou ik het doen? Zou ik het vragen? Aan haar? Nogmaals keek ik naar het donkere appartement en de hoop leek te vergaan als sneeuw voor de zon. De bittere realiteit nam zijn plaats. Ze zou niet voorlopig thuiskomen. Niet vannacht.
Ik aarzelde. Het was een grens. Niet een principe, maar één als een afgrond, zoals men vroeger het einde van de zeeën beschreef toen deze nog plat was. Ik moest roken. Ik moest. De laatste was uren geleden. Ook gebietst, maar niet van iemand zoals haar. Ik walgde van ze. Ik was altijd diegene die ze altijd uitlachte als ze vroegen om kleingeld. Niet dat ik ze negeerde zoals de meeste mensen, maar ik keek naar ze alsof ik ze doorhad. Parasieten van de maatschappij vond ik ze. De haren in een afvoerputje. Ik kan vast nog wel zonder en anders wacht ik tot morgen.
De minuten leken uren te duren. Daar zat zij — op een steenworp afstand. Ondanks dat ze niets had zat ze daar. Vrolijk te neuriën. En wat te roken. Hier stond ik. Blut. Voor een deur die niet open zou gaan. De laatste deur waar ik nog zou kunnen aanbellen. Nuchter. Mijn handen trilden ongecontroleerd. Nicotine afkick. De druk in mijn hoofd nam toe. Alsof mijn gedachten zich langzaam vormden tot een loden substantie in mijn schedel. Ze had inmiddels haar vierde sinds ik haar in mijn ooghoeken hield opgestoken. Gewoon doen, leek een stem in mijn hoofd te zeggen. Het maakt niet uit. Geef toe. Geef gewoon toe.
Ze keek omhoog toen ik een halve meter van haar vandaan stond. 'Mag ik er één van je draaien?', vroeg ik onoprecht vriendelijk. Ze leek me niet te begrijpen. Ik maakte een gebaar met mijn vingers en ze leek het te begrijpen, maar ook weer niet. Voor haar stond een jongeman. Niet iemand van de straat. Niet iemand die een uur in de wind stonk. Als ik haar gedachten kon lezen zou ze waarschijnlijk hebben gedacht van alle mensen vraag je het aan mij — aan mij! Maar de vrouw bood haar pakje tabak aan. En terwijl ik er eentje draaide, voelde ik me schuldig — tot ik hem aanstak. Eenmaal de vriendschap gesloten via de nicotine uitwisseling, hurkte ik naast haar neer. Ze neuriede verder, weer weg van de wereld. Af en toe wierp ze een blik — en ik besloot ons stilzwijgen te verbreken. 'Waar komt u vandaan?', vroeg ik aan haar. Ze leek me even te negeren, maar antwoordde in een bijna zingende klank. `Santa Domingo', zei ze.
Wat zich normaal gezien zou uitmonden in een dialoog, bleef een vreemd theatraal gebeuren. Ze neuriede verder en terwijl het geluid van voorbijgaande auto's steeds meer afstierf, voelde ik de nachtkou toenemen. Nooit eerder kende ik dit gevoel, het gevoel waarbij je het einde van een doodlopende weg hebt bereikt. De weg houdt op en het enige wat overblijft is een landschap waar geen pad te vinden is met een voorbestemd doel. Teruggaan kan niet. Stilstaan helpt niet. Dit zou de eerste nacht kunnen zijn. De eerste nacht op straat.
Ik begon te denken. Waar zou ik naar toe kunnen gaan? Er woonden genoeg familieleden in de stad, maar zouden ze voor me open doen? De laatste weken deden sommigen alsof ze niet thuis waren of keken ze naar me alsof ik een 'verloren zaak' was. Ik wist wel dat ik het aan mezelf te danken had. De leugens, de diefstallen. Maar ik had geld nodig. En ik nam niet veel. Als ik het vroeg dan zeiden ze ik heb het niet, terwijl ze amper een paar minuten erna vrolijk vertelden aan anderen dat ze over een paar weken op vakantie gingen of een nieuw frutseltje gingen kopen. Dat maakte het nog niet goed, maar wat wilden ze anders? Dat ik iemand ging beroven? Misschien was dat slimmer — dan had ik nu nog ergens aan kunnen kloppen.
Er liep een man door de binnenstraat en begroette de dikke vrouw. Ze spraken in een taal wat leek op Spaans. De vrouw reageerde niet volmondig, maar de man leek een echte praatjesmaker. Hij leek niet op een turk, maar het was duidelijk te zien dat het geen Nederlander was, ondanks zijn blanke gelaat. Hij leek niet ouder dan 40, maar ook niet bepaald geslaagd in zijn leven.
'Jongen, wat doen jij hier zomaar zo laat', vroeg hij. 'Ik wacht op een kennis die thuis komt.' Hij keek me aan en keek naar het donkere gebouw. Zijn glimlach sprak boekdelen — hij dacht hetzelfde wat ik al eerder had gedacht. Hier komt vanavond niemand thuis. `Jij hebben gebeld? Hunnie weten jij komen?', vroeg hij verder. 'Nee', zei ik 'ze verwacht me niet.' Hij keek naar mijn kleding. 'Waar jij zelf wonen?', vroeg hij, bijna retorisch. Het begon tot me door te dringen. Mijn antwoord verklaarde mijn huidige status. 'Nergens’, zei ik.
Hij keek me doordringend aan. Medelijdend. Alsof hij een zeehondje had gevonden tussen een olieplas in het Waddengebied. Alsof hij er zo velen had gezien en geaccepteerd had dat het gebeurde. Dat hij zich bewogen voelde om iets te doen, maar vond dat hij niets kon doen. 'Jij zijn nog zo jong. Waarom jij niet bellen bij familie?', ging de man verder. 'Die zijn er niet', loog ik. Maar de leugen had de man vast vaker gehoord. 'Ik zijn Pedro. Zij is Madam. Jij zijn wie?', vroeg Pedro. 'Ik.. ik.. ben X.'
'X, jij welkom in duizend sterren hotel vandaag. Geen roomservice, geen douche', lachte hij. 'Eerste keer buiten?', vroeg hij. Ik knikte. Het was de eerste keer echt buiten. De eerste keer zonder dak boven het hoofd. Pedro haalde een pakje goedkope sigaretten uit zijn borstzak en bood me er één aan. 'Vandaag ik jou helpen met sigaretje. Maar niet altijd, okee'. Ik bedankte hem en nam het sigaretje aan. Ik inhaleerde diep. Ondanks dat ik zonder dak zat, was ik niet alleen. Ondanks dat ik zonder dak zat, had ik nu wat te roken.
©SamRain
Madam,

woensdag 17 oktober 2012

Blik op de straat


“Wie overleeft, overleeft.”
                                    - Sam Rain
De straat krioelt van de mensen; als een horde mieren lijken ze te bewegen. Chaotisch op het eerste gezicht, maar een ieder met het doel te verzamelen. De één gaat naar de Super, een ander naar de belwinkel. Er lopen ongeveer vier blanke mensen tussen de honderden. In een stad in Nederland.
De Surinaamse vrouw schreeuwt naar de overkant – haar zus moet opschieten. De drie gehoofddoekte vrouwen roddelen een eind weg in het Turks, terwijl de Somaliër stiekem een krantje ‘wisselt’ voor het geldkantoor. Een kale hindoestaanse man loopt bijna suïcidaal voor de tram, druk kakelend over de mobiele telefoon – om te stoppen voor de opgevoerde scooter met twee Antillianen ‘op missie’.
De mannen uit Ghana dragen hun groene en rode colbertjes boven een zwarte pantalon met hun bruine kwastjesschoenen. Ze discussiëren en begroeten de islamitische man, die waarschijnlijk afghaans is; hij wandelt er iedere dag en stopt voor de speelgoedwinkeletalage. Er staan vliegers achter.
Twee Turkse meisjes babbelen een eind weg – worden nagekeken door een paar Armenen. Ze reageren niet op ze, waarop de jongens beginnen te schelden. ‘Hoer’, ‘slet’ en ‘ezel’ – alleen het laatste in Arabisch. Ze negeren het hindoestaanse meisje die voor de duizendste keer naar de winkel moet – er is ‘katha’ vandaag.
Een civic rijdt met harde muziek de straat in en zet de golf aan tot een race naar het laatste plekje. De golf wint – maar de civic zet zichzelf neer op de stoep – tot grote irritatie van de Surinaamse vrouw op haar scootmobiel. De Chinese man en vrouw geven geen gezichtsuitdrukking, maar hun dorre blik spreekt boekdelen.
Een junk wandelt het straatje in en de Marokkaanse jongen van 12 zet z’n fiets neer. Even later kijk hij blij naar de twee tientjes in zijn hand en de junk lijkt te zijn verdwenen. Totdat de geur van een aangestoken plof zijn locatie prijsgeeft. Niemand die ervoor stopt.
De Nederlandse man is nors – hij vindt het maar niets de nieuwe supermarkt. Niet omdat het van Turkse mensen zijn, maar omdat het weer wennen wordt. Hij irriteert zich wel aan een Nederlandse jongen – die uiteraard hem weer vraagt om een euro. Doet-ie niet.
De tram stopt en de pubers stormen eruit. Ze komen van school; tenminste, een gebouw dat de naam draagt. Zij maken er de dienst uit. Ze kijken naar hun telefoontjes en scheppen op over hun ‘heldendaden’. Twee meisjes gaan ineens ‘los’ – niks haren trekken, maar knokken.
De politiewagen rijdt de straat in en stopt voor het café. Maar dan verander de straat ineens. Mensen nemen afstand en de Turkse en Marokkaanse groepen duiken op als roedels hyena’s. Ze schelden de ‘popos’ uit, en even later gooien ze stenen. De agenten kiezen eieren voor hun geld en onder een luid gejoel verlaten ze de straat. Eén van de mannen schuift bijna onopgemerkt zijn pistool weer in z’n broek. Hij haat blauw.
Tja, een herinnering van 15 jaar geleden.
©SamRain
Straat

zaterdag 10 december 2011

Onder de brug


“ De afvoerput van de maatschappij zie je alleen als je naar beneden kijkt”
                                                                                                            - Sam Rain
De koude lucht blaast over mijn gezicht. Het is licht en de vogels maken herrie als een stel keukenwijven op een hindoestaans familiefeest. Mijn voeten voelen als blokken ijs. Het is oktober en de winter komt eraan. Het is mijn vierde dag buiten op straat, waar ik heb overnacht in de bosjes nabij een school. Tijd om te bewegen naar het zorgcentrum waar er koffie wordt geschonken en soep klaarligt.
Het is ruim tien minuten lopen naar plaats van bestemming. Onderweg zie ik een paar bekende gezichten uit het zorgcentrum. De één oud, de ander ziek en een groepje junks. Het ‘mogguh’ bij de deur door een paar gekke muzikanten en bedelaars die wel een slaapplaats kregen bij dit centra. Vol is vol, of ‘vol is pech’ beter gezegd. Maakt niet uit wat je situatie is, tenzij je een vrouw bent. Bah, nooit zo’n hekel gehad aan emancipatie dan nu. Vooral als ik sommige van deze vrouwen zie; half vertrokken bek door de methadon en heroïne, korte rokjes om te tippelen later die avond. Drugs maakt meer kapot dat je lief is.
De koffie doet wonderen. Mijn voeten ontdooien langzaam bij beetje. Straks weer melden bij de Sociale Dienst; hopelijk komt dat voorschot want ik ga dood van de honger. Een oude zwerver komt binnen, het is René, een oude kraker met zijn Straatkrant, die koffie komt scoren voordat hij het volk voor de Albert Heijn gaat terroriseren met zijn stank. Anja, de base-hoer volgt erna; kwakkelend op haar laarsjes en een shaggie tussen haar tanden, komt ze haar post halen. Ze is blij want er is weer een betaling van de ‘Soos’ – wat garant staat voor een weekend high. De jonge sloeber naast me geeft me een duwtje: ‘als je mazzel hebt, heb je een plekkie vanavond’ wijzend naar Anja. ‘Zij gaat vast verdwalen.’
De klok gaat langzaam verder en ik besluit om richting de Sociale Dienst te wandelen. Onderweg stop ik bij de supermarkt voor het ‘kampioenen dieet’; een chocoladetoetje van 33 cent en een halve liter bier, een pakje chips tegen de hoofdpijn. Twee andere zwervers nemen meteen een paar artikelen mee onder hun jas, de caissière zegt toch niets want ze is alleen.
Voor het grote gebouw rook ik een shaggie voordat ik naar binnen wandel. Ik meld me bij de receptie en moet anderhalf uur wachten tussen vluchtelingen, zwervers en junkies, de één nog ongeduldiger dan de ander. Een junk krijgt er genoeg van; hij ontdoet zich van zijn broek en kakt in de plantenbak. De beveiligers pakken hem hardhandig op en wordt met zijn broek op de enkels het gebouw uitgewerkt. ‘Die kan fluiten naar zijn centen’, zegt een zwerver zachtjes.
De ambtenaar roept mijn nummer en ik sta op, volgend naar een klein kamertje. Het is een oudere man die me aankijkt met een neerbuigende blik. ‘Een beetje jong, niet?’
Ik vertel hem wat er gebeurd is en de situatie. Het lijkt hem niets te interesseren. ‘U komt er niet voor in aanmerking.’ Ik stond perplex. Te jong en niet zijn probleem. ‘Misschien kunnen ze bij het Leger des Heils u helpen’, zegt hij, ‘of vind u wel een creatieve manier om uw verdiensten te maken’. Boos loop ik weg. Teleurgesteld naar buiten. Onbegrip. Woede. Angst.
Ik zie een zwerver bedelen. Ik bedenk me dat het zou kunnen; beter iets dan niets. Een voorbijganger komt eraan. Ik maak mijn hand plat, palm naar boven en ik kijk ernaar. De vieze hand wordt een vuist. Nee. Ik zal niet bedelen. Ik heb het al gevraagd aan de maatschappij, en de maatschappij zei nee. Vanaf nu pak ik het gewoon. Vanaf nu kies ik voor mezelf.
©SamRain
De brug